Author Archive
Niet meer door mij onderhouden, wel ontworpen en nog steeds online:
e-changes

SitEOptimaal is een jong bedrijf. Wij zijn gespecialiseerd in websites voor het Midden- en Kleinbedrijf.
Een veel gehoorde klacht in het bedrijfsleven is: “We hebben wel een website, maar niemand weet ons te vinden!”
SitEOptimaal zorgt voor optimale vindbaarheid bij Google en andere zoekmachines (SEO). U komt gegarandeerd weer in beeld!
Wij verbeteren uw website zodanig dat hij niet alleen vindbaarder wordt, maar er ook aantrekkelijker gaat uitzien. Of we maken een nieuwe website voor u.
Wij werken op dit moment aan de volgende sites:
www.letselschadeadvocatenutrecht.nl
Te koop domeinnaam en website:
Unieke, korte domeinnaam – easily remembered, easily branded – nu te koop. Terwijl honderden samenstellingen met ‘crime’ erin al bezet zijn, is crime.nl beschikbaar!
Het gebeurt niet vaak dat zo’n korte TLD (Top Level Domain), bestaande uit één woord, op de markt komt.
- Verzekerd van traffic: meer dan 100.000 unieke bezoekers per jaar (3 miljoen hits). Honderden links naar crime.nl (tientallen op wikipedia.nl)
De meeste auteurspagina’s op crime.nl staan #1 in de Google-ranking. - Uitermate geschikt voor uitgevers van thrillers & detectives, voor true crime-verslaggeving, maar ook voor crime games.
- Geregelde inkomsten Google ads.
- Wordt geleverd met bijbehorende Twitter- en Facebookaccounts (@crimenl).
- Ook verkoop domeinnaam alleen is mogelijk.
- De content van de crime.nl bestaat sinds 2000 uit een toonaangevend, actueel encyclopedisch overzicht van honderden misdaadschrijvers uit Nederland en België, overzichten van literaire prijzen binnen het genre zoals Gouden Strop en De Diamanten Kogel. Deels unieke content.
- Content van de site is uiteraard geheel naar eigen smaak en voor eigen doeleinden aan te passen. De huidige content kan als uitgangsmateriaal dienen.
- Ook huur, al of niet met webmaster/webdesigner/hoster mogelijk.
Voor meer informatie Alwin van Ee, verkoop@crime.nl of 06 248 09 848.
crime.nl © Alwin van EeMiguel de Cervantes y Saavedra (1547-1616) werd geboren in Alcalá de Henares als zoon van een chirurg. In 1569 vertrok Cervantes naar Italië, waar hij soldaat wordt. In 1571 vocht hij mee tegen de Turken in de Slag bij Lepanto. Volgens ooggetuigen gedroeg hij zich uiterst heldhaftig. Hij werd geraakt door drie haakbusschoten en verloor het vermogen over zijn linkerarm. Zo kreeg hij de bijnaam ‘El Manco de Lepanto’ (de eenarmige van Lepanto). De Turken werden verslagen en Cervantes was er later zeer trots op dat hij meegevochten had. Toch was deze nederlaag relatief onbelangrijk voor het bloeiende Ottomaanse Rijk. Op de terugweg werd Cervantes gevangengenomen door piraten en daarna zat hij vijf jaar vast in Algiers. Hij werd uiteindelijk vrijgekocht door zijn familie en keerde terug naar Spanje. Daar schreef hij onder andere het toneelstuk El trato de Argel, waarin hij zijn ervaringen in gevangenschap verwerkte. In 1585 verscheen de herdersroman La Galatea. In 1587 kreeg Cervantes een aanstelling bij de bevoorrading van de Armada, die – de macht van Spanje was reeds tanende – in 1588 ten onder ging.
Vanaf 1597 schreef hij het eerste deel van zijn meesterwerk El Ingenioso Caballero Don Quijote de la Mancha (1605), volgens velen de eerste roman uit de geschiedenis. Het tweede deel verscheen in Cervantes’ sterfjaar 1615 (hij stierf op dezelfde dag als Shakespeare). De krankzinnige avonturen van Don Quijote (de Spaanse spelling – in het Nederlands tegenwoordig bij voorkeur: Don Quichot), die door de lectuur van ridderromans gek is geworden en zelf als dolende ridder de wereld intrekt om het onrecht te bestrijden, is aanvankelijk bedoeld als parodie op het genre van de ridderroman. (Overigens hebben dolende ridders in het Spanje van de 15e eeuw werkelijk bestaan.) Maar geleidelijk overstijgt Cervantes de parodievorm: vooral in het tweede deel wordt Don Quichots waanzin steeds meer afgewisseld door momenten van helderheid, waarin de ridder zeer verstandige oordelen weet te vellen, zozeer dat hij soms zelfs de enige is die de waarheid ziet, het thema van de verstandige waanzinnige, dat we ook al vinden in Lof der zotheid (1511) van Erasmus.
Hoewel in Alcalá de Henares een van de belangrijkste universiteiten van Spanje was gevestigd, is het niet zeker of Cervantes aan een universiteit heeft gestudeerd. Maar hij was zeer goed op de hoogte van het gedachtegoed van zijn tijd: de literatuurtheorieën van Aristoteles en Ariosto, het analytische humanisme van Erasmus, de medische opvattingen over sanguinische en melancholische temperamenten (de waanzin van Don Quichot past in een bepaald ziektebeeld) en uiteraard de ridderverhalen die in de vijftiende eeuw zeer geliefd waren geweest op het Iberische schiereiland. Hij was dus geenszins de geniale schrijver die zijn werken geheel uit het niets schiep, zoals men sinds de romantiek wel geloofde. Pas meer dan driehonderd jaar na het verschijnen van Don Quichot probeerde men het werk van Cervantes voor het eerst te plaatsen in de cultuurhistorische context van renaissance, humanisme en barok. Tot in deze eeuw ontkenden Spaanse literatuurhistorici de invloed van de renaissance op de Spaanse klassieken. In 1925 zette Américo Castro met het baanbrekende El pensamiento de Cervantes (De gedachtenwereld van Cervantes, Madrid 1925) de toon voor deze cultuurhistorische benadering. Vroegere interpretaties zijn evenwel belang omdat ze ons beeld van Don Quichot in hoge mate hebben beïnvloed.
In Don Quichot speelt Cervantes vaak een spel met de lezer: fictie en werkelijkheid lopen voortdurend door elkaar, niet alleen in de waarneming van Don Quichot zelf, maar ook in de presentatie van het verhaal: het is aanvankelijk gebaseerd op zogenaamd historische bronnen, later op een Arabisch manuscript dat Cervantes dan weer van commentaar voorziet. Toch wil de schrijver niet beweren dat het onderscheid tussen fictie en werkelijkheid niet te maken is: in het complot tussen auteur en lezer is er altijd een objectieve waarheid aan te wijzen. Cervantes schrijft in de eerste plaats om de lezer te vermaken.
Cervantes heeft zijn neoaristotelische opvattingen over literatuur nooit systematisch uiteengezet, maar evenals in Don Quichot laat Cervantes soms zijn personages in Los trabajos de Persiles y Sigismunda (posthuum verschenen in 1617) discussiëren over literaire onderwerpen. Zijn Novelas ejemplares (1613) worden gezien als de eerste verhalenbundel uit de wereldliteratuur.
Direct na het verschijnen van het eerste deel van Don Quichot in 1605 was het werk een succes: vele herdrukken volgden en het werd al snel vertaald. De eerste maal dat Don Quichot `uyt de Spaensche in onse Nederlantsche tale’ werd vertaald was in 1657. In later eeuwen volgden eveneens talrijke bewerkingen voor kinderen. In de achttiende eeuw beval Justus van Effen het werk vooral de jeugd aan om de geest te scherpen en het gezond verstand te ontwikkelen. Op de integrale vertaling in het Nederlands van J.W.F. Werumeus Buning en Prof. Dr. C.F.A. van Dam (Querido, 1941) is altijd veel kritiek geweest. Hoe spitsvondig en virtuoos ook, de vertalers interpreteerden te veel, zodat er veel onnodige verschuivingen ten opzichte van het origineel ontstonden en de suggestieve kracht van de brontekst hier en daar verloren gaat. In 1997, het 450-ste geboortejaar van Cervantes, verscheen een nieuwe vertaling in het Nederlands bij uitgeverij Atheneum-Polak & van Gennep (imprint van Querido, 2 delen, vertaald door Barber van de Pol.
De invloed van de tot mythische proporties uitgegroeide figuur Don Quichot op onze cultuur en op andere schrijvers is door de eeuwen heen nooit afgenomen. Een recent voorbeeld: in Een voortreffelijke ridder (1995, eveneens uitgegeven door Querido) laat Willem Brakman zijn Don Quichot in het 20e-eeuwse Den Haag zijn Dulcinea vinden.
Zie verder ook mijn recensie in het Utrechts Nieuwsblad en essay in Filosofie Magazine over Cervantes en Don Quichot.
Door Erik Orendi, illustraties: Dick van Schaik
Hij was een groot liefhebber van ridderromans en vergat zich zo in zijn lectuur dat hij alle nachten doorbracht met zijn boeken, van dat de zon onderging totdat zij opging (…); en van al dit vele lezen en weinig slapen werden de hersenen hem zo dor, dat hij tenslotte het verstand verloor.
Cervantes, De Geestrijke Ridder Don Quichot van De Mancha
Het naargeestige gebouw van Van Ditmar Import BV lag aan de Oostelijke Handelskade achter de spoorlijn bij Het IJ. Dagelijks kwamen er van over de hele wereld duizenden nieuwe boeken binnen. De partijen moesten op uitgever en alfabet gesorteerd worden en vervolgens met boodschappenwagentjes naar de desbetreffende schappen overgebracht.
Hoewel het enorme magazijn op de bovenste etage was gevestigd, drong er weinig licht door. ‘s Zomers kon het er drukkend heet en ‘s winters ijskoud zijn. Meestal stond Frank aan een lange tafel op wieltjes de partijen boeken met de ruggen omhoog, titel en auteur direct zichtbaar, op alfabet te zetten. Soms draaide hij een partij afgekeurde boeken door. Alle exemplaren met een beschadiging op het gladde, nog naar drukinkt ruikende omslag werden dan in een afvalcontainer gegooid.
Je kon zien dat hij er al jaren werkte; zijn soepele tred, de licht gebogen schouders, de berustende blik. Hij was niet de enige. Sommige collega’s werkten al tien jaar in het magazijn. Als slaapwandelaars schoven ze tussen de metershoge boekenschappen door, de armen vooruitgestrekt om de pockets op de juiste plaats te zetten. Stavinoha tussen Stancu en Steinbeck, Ludlum tussen De Loo en Mendoza. Als het koffiepauze was, zochten ze elkaar op en zaten het kwartier tot op de seconde uit. Sommigen zwegen, anderen spraken met elkaar. Het gesprek ging nooit over boeken.
Frank liep echter altijd direct naar de aangrenzende afdeling Verzenden & Factureren, zette zich achterwaarts met een sprongetje op een paktafel, stak een sigaret op en ging de krant lezen. Zo deed hij dat elke pauze.
Op een avond werd Frank opgebeld door de Chileense redacteur van een tijdschrift over Spaanstalige cultuur dat eens een paar reisverhalen van hem had geplaatst. De man deed hem het voorstel voor dit tijdschrift een reportage te schrijven over een klassieker uit de wereldliteratuur. Hij moest er voor naar een onbekende streek in Midden-Spanje reizen. De genoemde klassieker was er een van het kaliber ‘iedereen kent hem, niemand heeft hem gelezen’.
Verbouwereerd ging Frank akkoord. Voor het eerst in z’n leven werd hem gevraagd een verhaal te schrijven. Hij ging direct informatie zoeken over de schrijver en zijn beroemde boek. De auteur bleek een langere naam te hebben dan gewoonlijk gebezigd wordt – Miguel de Cervantes Saavedra – en was, opvallend genoeg, veel minder bekend dan zijn roman. Nog opvallender was dat de faam van de roman op zijn beurt werd overvleugeld door die van de hoofdpersoon, een edelman uit een dorpje in het midden van Spanje die zich door een herbergier tot ridder liet slaan en de wijde wereld introk. De edelman had echt bestaan. Zijn naam was Don Alonso de Quijada. Hij had in het midden van de zestiende eeuw in het dorpje Esquivias geleefd, ongeveer 35 kilometer onder Madrid. Over hem was echter weinig meer bekend dan dat zijn vader Juan de Quijada heette en baccalaureus was, dus de middelbare school had gevolgd.

Verder was nog de naam van een dorpsgenoot van Don Alonso bekend: Doña Catalina de Salazar y Palacias y Vozmediano. Doña Catalina behoorde tot de lage adel – althans; dat beweert Miguel de Cervantes, de man die op 12 december 1584 met haar trouwde, in zijn later zo beroemd geworden geschriften. Miguel kwam uit Madrid, waar hij zijn eerste schreden op het schrijverspad had gezet. Hij was negentien jaar ouder dan Catalina. Van hun huwelijk is slechts bekend dat de al wat op leeftijd komende schoonzoon niet bijster geliefd was bij de familieleden van zijn vrouw.
Het is misschien maar goed dat die Don Alonso buiten zijn medeweten model heeft gestaan voor de protagonist van Cervantes’ legendarische roman. Zijn achternaam Quijada werd namelijk verhaspeld tot Quijote, wat in het Spaans ‘dijstuk van een harnas’ betekent. Bovendien wordt de uitgang -ote alleen toegepast om iets als lachwekkend of verwerpelijk voor te stellen. Don Dijstuk. Cervantes noemde zijn roman De geestrijke Ridder Don Quichot van La Mancha.
Frank liet zich niet ontmoedigen door de omvang van de klassieker die de redacteur hem als huiswerk had opgegeven (exact zeventienhonderd pagina’s) en ging op zoek naar het boek. Tot zijn verbazing bleken de boekhandels het beroemde werk niet in voorraad te hebben. Na een lange antiquariatentocht sloeg hij uiteindelijk een gat van 21 centimeter in de boekenwand van een filiaal van De Slegte. Vier kloeke, gebonden delen met dikke, zachtgele pagina’s die als perkament tussen de vingers schuurden. Hij zag dat de vorige eigenaar zijn naam in zwierig vulpenschrift voorin had gezet: Henny W. Augustus ’42. Het betrof de ‘oorlogsdruk’ van uitgeverij Querido, verschenen in 1941. De vertalers, Van Dam en Werumeus Buning, schotelden in hun verantwoording de argeloze lezer de volgende vraag voor: ‘Waarom moeten wij thans Don Quichot lezen?’ Ze geven zelf het antwoord: “Leest hem juist nu, in dagen van beproeving voor ons vaderland. De Quijote immers werd geschreven in dagen van grooten tegenspoed voor het Spaansche volk.”
Frank bezocht bibliotheken op zoek naar verdere gegevens. Eigenaardige studies doken op. Hij vond een fotoboek met de locaties en kruispunten die Don Quichot destijds had aangedaan. Een recente studie van ene Luis Ruiz de Vargas beschreef de begaanbaarheid van het terrein dat de Don op zijn omzwervingen had doorkruist. De man had dit in een tabel afgezet tegen de tijdsaanduidingen die Cervantes de lezer geeft en vervolgens berekend dat de schrijver 2555 dagen had gebruikt om een episode van 37 dagen uit het leven van de ridder te beschrijven, waarin deze negentien dagen onderweg is en 583 kilometer aflegt met zijn trouwe schildknaap Sancho Panza.
In een knipselmap trof Frank een krantenartikel van recente datum aan, getiteld: ‘Brief van Cervantes komt na vier eeuwen boven’. Het artikel meldde:
In het archief van het Noord-Spaanse stadje Simancas is een brief opgedoken van Miguel Cervantes, de schrijver van ‘Don Quichot’. Het archief bevat 40 miljoen perkamenten, waarvan 2 miljoen betrekking hebben op de Lage Landen. Deze worden al sinds 1955 onderzocht. De voltreffer: een ontboezeming van Cervantes vanuit de gevangenis van Sevilla. Daar ontstaat, zoals hij in 1605 schrijft in het voorwoord van Don Quichot, ‘dit werk tussen alle ongemakken die in een kerker hun zitplaats vinden.’ De ontdekking van de brief heeft zo lang op zich laten wachten omdat hij per abuis aan een rapport van de Spaanse Koninklijke Rekenkamer was toegevoegd. In de brief richt Cervantes zich tot een onderzoekscommissie in verband met een hem ten laste gelegde verduistering van belastinggelden. Cervantes verzekert dat hij zich volkomen gerust voelt over de spoedige opheldering van het misverstand. Korte tijd later is hij vrij om de laatste hand te leggen aan zijn Don Quichot.
Frank verkeerde maandenlang in het gezelschap van de Quijote en raakte al lezende steeds meer gefascineerd. Zijn vrienden hadden andere besognes of verborgen hun afgunst over zijn ‘Spaanse snoepreisje’. Ze zagen niet hoezeer hij ernaar verlangde een daad te stellen. De lispelende redacteur had een stok ver weg gegooid en hij rende er als een hond achteraan.
Naarmate de dag naderde dat hij zou vertrekken, begonnen de zenuwen sterker op te spelen. Wat moest hij in godsnaam in z’n eentje in Spanje? Hij vroeg een goede vriendin om hem naar Schiphol te brengen. Hyperventilerend
liet hij zich inchecken. Toen het vliegtuig loskwam van de startbaan, voelde hij zich een gek die net uit een TBS- inrichting was ontsnapt. Het onafzienbare plat van La Mancha zou zijn luchtplaats worden.
Het metrostation Cuatro Caminos (Vier Wegen) in de Spaanse hoofdstad maakt z’n naam waar. Frank belandt er in een duizelingwekkend gangenstelsel. Om op het juiste perron te komen moet hij vijf lange roltrappen af, die hem elk zo’n twintig meter dieper brengen. Ingeklemd tussen de spitsuurreizigers voelt hij zich een mijnwerker op weg naar de ploegendienst. Of is hij al in de Grot van Montesinos? Zuidwaarts gaat het, per spoor naar Alcázar de San Juan. Direct tegenover het station van dit stadje staat het naar de onbeantwoorde liefde van Don Quichot, Aldonza Lorenza, vernoemde hotel.
De volgende dag neemt hij de bus naar het nabije Campo de Criptana. La Mancha is hier op haar platst. De bus rijdt door een kale vlakte met hier en daar een boom. Onverwacht doemt er een witte heuvel op. Frank stapt uit de bus en klimt naar boven, het dorp in. Hoe hoger hij klimt, hoe steiler de straatjes en hoe ouder de witte huisjes met hun grove, ongepleisterde muren. Er wonen zigeuners en er staat een discotheek. Her en der zitten groepjes jongeren om een voorraad bier verzameld. Auto’s scheuren voorbij. Verderop staan er enkele geparkeerd. De inzittenden genieten van elkaar en van het weidse uitzicht.
In het westen hunkert de gladde, zachte vouw in de vlakte naar het zachtrode hemellichaam dat boven haar hangt. Als een kosmonaut schuifelt hij over een vreemde, opbollende duin waar naast een aantal rotsen liefst tien spierwitte molens tegen een onpeilbare atmosfeer afsteken. De molens zijn de enige bakens in het licht golvende maanlandschap. Daardoor lijken ze veel groter dan ze in werkelijkheid zijn. En Frank voelt zich toch al zo klein. Het is zaterdagavond, iedereen lijkt zich te vermaken en hij komt hier maar net kijken.
José Luis is lang en slank voor een Spanjaard. Hij woont zijn hele leven al in Campo de Criptana. Zeven dagen per week staat hij in een tot Oficina de Turismo omgedoopte molen, een van de tien op de Cerro de la Paz. Vanavond ontvangt hij Frank in zijn molen. Ze raken in discussie over de feitelijke woonplaats van Don Quichot. José Luis houdt het op zijn eigen dorp. Frank is het niet met hem eens. De onverschrokken ridder maakt in het verhaal over de windmolens immers de indruk nooit eerder geconfronteerd te zijn met deze nieuwerwetse bouwsels. Hij moet daarom haast wel uit een andere plaats afkomstig geweest zijn. Toen Cervantes zijn roman schreef, waren de eerste windmolens net vanuit de Lage Landen in La Mancha ingevoerd.
De blik van José Luis dwaalt af naar de toegangsweg en automatisch kijkt Frank over zijn schouders mee. Een glimmende touringcar arriveert, het portier schuift geruisloos open en tientallen toeristen zwermen uit over de heuvel. Als ze klaar zijn met fotograferen, komen ze op de molen van José Luis af en stellen zich op rond het oude ansichtkaartenmolentje, dat knarsend rond zijn as draait. Op de kaarten staan molens. In een van die molens staan zij zelf.
Om de discussie voort te kunnen zetten maakt Frank een afspraak met José Luis en neemt z’n intrek in een door hem aanbevolen pension.
In de daaropvolgende dagen leert Frank José Luis kennen als de perfecte stranger-handler, niet alleen van beroep, maar ook door zijn sociale positie in het dorp. Hij is dertig jaar, heeft een gezonde blos en straalt het jeugdige enthousiasme van de vrijgezel uit. Als ze ‘s avonds over de smalle trottoirs van de dorpsstraten naar zijn favoriete bar lopen, leest Frank op zijn licht gekromde rug de tekst Urban Cowboy. De terlenka broek hangt hem ruim om de lange benen. Dat past beter bij zijn aristocratisch voorkomen. Prins Charles in polojack. In de schouwburg annex bioscoop heeft José Luis zijn tweede emplooi, als filmoperateur. Wekelijks ziet hij er de nieuwste films. Misschien verklaart dit het feit dat hij er nooit toe gekomen is de Quijote te lezen. Hij is overigens lang niet de enige Spanjaard die Cervantes meesterwerk nooit las.
De bekendste plaats uit de Don Quichot is El Toboso. Dulcinea, de dame waar de Don zijn daden aan opdroeg, woonde hier. Er gaat slechts een bus per dag naar het dorp. Het lijkt Frank daarom een goed idee om de tweede Nederlandse wondermachine na de molen – de fiets – in te zetten. In Spanje een fiets huren blijkt echter even onmogelijk als een tractor huren in het centrum van Amsterdam. Na enig rondvragen vindt hij een fietsenmaker die zo vriendelijk is hem een tweewieler mee te geven. José Luis reageert verbaasd als Frank trots zijn zojuist opgehaalde vervoermiddel laat zien. Moet de señor daarmee naar het twintig kilometer verderop gelegen dorp? Ja, slikt de señor dapper, La Mancha is toch zo plat als een pannenkoek? José Luis kijkt bedenkelijk. Misschien met reden: de wieltjes zijn niet veel groter dan die van een autoped en het frame-met-lage-instap lijkt bedoeld voor kinderen. Onbedoeld treedt Frank zo in de voetsporen van Sancho Panza, wiens ezel moeite had gelijk op te gaan met het paard van zijn meester.
Na twee uur fietsen over het onafzienbare valse plat van La Mancha waant Frank zich een muis in een tredmolen. De pedalen malen maar het doel komt niet dichterbij. Hij is op weg naar de woonstede van de zestiende-eeuwse dame die model stond voor een romanfiguur die dermate imaginair is, dat zij slechts als muze bezongen in het boek voorkomt. Op het heuglijke uur dat Don Quichot eindelijk het dorp van zijn platonische liefde bereikte, stak zijn hoofd extra in de wolken. Hij werd begroet door balkende ezels, knorrende varkens en miauwende katten… Don Quichot trok eropuit om onrecht te herstellen, misbruik uit te roeien en schulden te vereffenen.
Zoals het een goed ridder betaamde, koos hij een mooie vrouw uit om zijn toekomstige heldendaden aan te wijden: Aldonza Lorenza. Hij gaf haar een naam die niet al te zeer bij de zijne afstak en die deed denken aan een prinses of hooggeboren vrouwe: Dulcinea van El Toboso. Aldonza Lorenza lijkt echt bestaan te hebben. Een knappe boerenmeid aan wie Cervantes ooit zijn hart had verpand. Zij heeft daar overigens, naar beweerd wordt, nooit weet of last van gehad. Waarschijnlijk was ze van islamitische afkomst. Later onderzoek wees namelijk uit dat El Toboso ten tijde van Cervantes nagenoeg volledig Moors was. Welke man valt er niet voor de grote, donkere kijkers van een exotische morisca? Vandaag doet Frank wat Cervantes wellicht wel, maar Don Quichot nooit gelukt is. Hij gaat op bezoek bij Dulcinea. Volgens de berichten moet haar huis er nog staan.
Het is stil als hij El Toboso binnenrijdt. Zomaar een dorp met lage witte huizen aan stoffige straten in zomaar een streek in Spanje. Het kerkplein is angstvallig netjes betegeld en wordt slechts ontregeld door een met kettingen afgezet plateau, waarop een plaatselijke kunstenaar twee figuren van asgrauw gietijzer heeft geplaatst.
Als hij naar het Casa-Museo de Dulcinea fietst, verschijnen korte citaten uit de Quijote als literaire graffiti op de muren van enkele huizen. In de poort van een van de huizen staat een gedrongen man in een blauwe koetsiersjas. Frank peddelt nog even door en belandt op een zandweg. Dulcinea, waar zijt gij? Hij plaatst z’n kinderfietsje bijna beschaamd tegen de ruwe muur van een kolossaal huis, dat in z’n Castiliaanse soberheid echter nauwelijks opvalt in de straat. Haar naam is niet bij de deur vermeld. De man in de koetsiersjas staat er nog en knikt naar hem. Frank vraagt of Dulcinea hier woont. Naar goede Spaanse gewoonte houden ze elkaar vervolgens een kwartier aan de praat. Dan laat de suppoost hem binnen in een soort boerendeel. Het is er koel en donker na het volle zonlicht buiten. Hij schrikt zich wild als plotseling vanuit een hoek een krakerig ¡buenos días! klinkt. Achter een tafeltje met toegangsbiljetten zit een popperig vrouwtje te breien. Ze kijkt hem aandachtig aan, neemt z’n muntstuk in ontvangst, staat op en vraagt hem vriendelijk met haar op te lopen naar het belendende vertrek. Hij zucht onhoorbaar en volgt gedwee. Schoon is zij niet. Is zij dan nog niet onttoverd?
Zij laat hem haar keuken zien, een enorm vertrek met dieprode vloertegels en wit gepleisterde muren, waaraan enkele wijnkruiken hangen. Hier kookte zij. In de haard hangt een zwarte kookpot boven een paar knoestige wijnstokstronken. Overal in La Mancha zie je die stronken in gekmakende monotonie uit de bruinrode akkers steken. Als de kraaien van Van Gogh. Naast de haard staan een wieg, een peuterrekje en een kinderstoel. Hier groeide zij op. Ze lopen nog even de bijkeuken in waar enorme, vrouwshoge wijnkruiken staan, tinajas, die al in Cervantes’ tijd faam genoten. Al staan de kruiken reeds eeuwen droog, Frank raakt allengs in een spirituele bui en waagt het op te merken dat de vrouw des huizes vast van een slokje hield. Ze knikt beleefd en loopt terug naar haar breiwerkje, waar haar zogenaamde echtgenoot in z’n potsierlijke jas hem staat op te wachten. Ruw wordt Frank van haar gescheiden – of hij nu hem maar wil volgen, de trap op. Hier sliep zij. Hij ziet een handgemaakt ledikant, een zogenaamde twijfelaar. Verder is het vertrek leeg, op een geitenleren reiskoffer na – handig door z’n geringe gewicht, wordt hem verteld.
Hij dringt zich niet verder aan haar op, gelijk Don Quichot het liet bij woorden en smachtende uitroepen (en een brief, die zijn schildknaap echter vergat af te geven). Hij neemt afscheid van de man met de blauwe jas en stapt op zijn fiets.
Het Centro Cervantino ligt twee straten verderop en is op verzoek te bezichtigen. De sleutel wordt bewaard in het gemeentehuis. Een welgemutste man escorteert Frank naar een klein museum om de hoek. Hij is politieagent. Hij opent de deur en doet het licht aan in een zaaltje met vitrines. Onder het schoongepoetste glas ligt de stoffelijke nalatenschap van Miguel de Cervantes in de vorm van diverse Spaanse edities van de Quijote, teruggaand tot de zestiende eeuw, plus dertig verschillende vertalingen. Veel landen waren zo vriendelijk Spanje hun vertaling van de Quijote te schenken, getuige de verzameling indrukwekkend bestempelde en ondertekende brieven. Behulpzaam wijst de agent hem op een Duitse Don Kijchote uit 1933. Op het titelblad staat de krabbel van een zekere rijkskanselier. Hitler.
In gedachten verzonken loopt Frank de straat op. Ook die oorlog heeft de Ridder van de Droevige Figuur overleefd. Hij verloor zich in ridderromans, trok ten strijde, onttrok zich bijna aan de macht van zijn geestesvader, maar kwam tot inkeer en genas van zijn gekte. Een gekte zo aanstekelijk dat Frank tweeduizend kilometer vliegt, drie uur treint en twee uur fietst om een stip op de landkaart te bezoeken. Waar hij zich, gezeten aan de grote ‘tafel van Cervantes’, met een ganzenveer in de hand laat fotograferen tegen de achtergrond van Hitlers signatuur. Waar wellicht eens de vijfenvijftigjarige Cervantes een knappe Moorse meid ontmoette, niet wetende dat zij zou uitgroeien tot een rijpe vrouw, moeder van alle Onbereikbare Teder Beminden.
De herberg waar Don Quichot zich in het derde hoofdstuk van het boek door een herbergier ‘op dwaze wijze tot ridder deed slaan’, is tegenwoordig een gerenommeerd restaurant. Het ligt 35 kilometer ten westen van Campo de Criptana, in Puerto Lapice. De tweebaansweg naar Puerto Lapice strekt zich 25 kilometer lang als een landingsbaan uit tussen de eindeloze akkers. Het is lente. Op sommige plaatsen kruipt al wat groen uit de roodbruine aarde of springen loten uit de stramme viñas. Het is moeilijk te geloven dat zo’n stronkje in oktober zal zuchten onder het gewicht van enige kilo’s rijpe druiven. De eerste Moren die door dit land trokken, noemden het Al Mansha, het droge land.
Al een half uur ziet Frank af en toe een kerktoren aan de horizon opduiken. Het lijkt alsof hij stilstaat. Ook de tijd lijkt stil te staan. De nog koele lentelucht hangt zacht en stil op het veld als een enorme, doorzichtige ballon waarin de zon haar stralen prikt. De ballon zwelt langzaam op tot voorbij het uur dat de zon op z’n hoogst staat, om warm en kalm over de golvende akkers te blijven schommelen tot de siësta aanbreekt. Het enige wat de kaarsrechte monotonie van de asfaltweg onderbreekt, is de subtiele golving van het landschap. Soms blijft het zicht beperkt tot honderd meter, dan vermenigvuldigt het zich tot zeven of tien kilometer. Zelfs een bewoner van ‘het vlakke land’ overvalt dan een vorm van pleinvrees. Hier, in dit landschap zonder referentiepunten, verkrijgt men zijn ware dimensie.
Een bocht in de weg om een heuse heuvel heen, waarop zo uit de verte te zien een paar molens staan. Dan onder de snelweg door en Frank fietst het dorpje Puerto Lapice binnen dat, handig voor de automobilist, onder de rook van de snelweg tussen Madrid en het zuiden ligt. Op de parkeerplaats van de Venta de Don Quijote staat een mannetje met drukke gebaren de aankomende auto’s te dirigeren. Zijn hoofd en nek lopen rood aan. Hij wil wel kwijt dat dit de echte herberg is waar Don Quichot echt werd geridderd en dat het gebouw echt vierhonderd jaar oud is.
Frank stalt zijn rijwiel onder een raam waarvoor het type sierhek is bevestigd dat overal in Spanje maagden beschermt tegen Don Juan en zijn maten. Handig om een fiets aan vast te zetten. In de poort van de herberg staat een houten bord met de menukaart. De prijzen liegen er niet om. De zonnige binnenplaats wordt geflankeerd door een galerij waarop met linnen gedekte tafels staan, aangezeten door een beschaafd publiek uit binnen- en buitenland. Obers snelwandelen af en aan. Frank laat zich naar een eetzaal dirigeren. Op het menu staan alleen gerechten die in de Quijote genoemd en genuttigd worden. Overigens zelden door Quichot en Panza, die weinig geld hadden en altijd net de schranspartijen misliepen – tot groot verdriet van de schildknaap.
Frank bestelt een Caldo de Abuela (Grootmoeders Soep) en een Ensalada Tirteafuera. Die naam komt in het boek voor als plaatsnaam; Cervantes hield van een woordgrapje, want letterlijk betekent Tirteafuera ‘maak dat je wegkomt!’ Frank besluit daar spoedig gevolg aan te geven, want hoe goed de gerechten ook smaakten, de rekening is voor een rondtrekkende fietser aan de hoge kant.
Frank neemt z’n intrek in een pension in het plaatsje Ruidera. Recht tegenover het raam van zijn kamer staat een kerk. De klok slaat elk heel uur de slagen van het uur en luidt elk half uur een slag. Vreemd is echter dat de klok de slagen van het hele uur steeds tweemaal over het dorpje laat klinken. In de tussenliggende tijdsspanne van anderhalve minuut lijkt de dorpsrust nog nadrukkelijker dan gewoonlijk. Ruidera is de enige plaats ter wereld die de tijd elk uur even stilzet om zich in visioenen te verliezen.
Misschien houdt de wat troosteloos klinkende klok verband met de nabijheid van een vijftiental lagunes, die op nooit geheel verklaarde wijze zowel boven- als ondergronds met elkaar in verbinding staan. Het gebeier zou dan het sein voor een imaginair schip zijn om uit te varen over de mysterieuze rivier de Guadiana, die in de lagunes ontspringt, maar bij het dorp Argamasilla de Alba spoorloos verdwijnt om pas vijftig kilometer westwaarts weer op te duiken en, flink gezwollen, door Portugal naar de Atlantische Oceaan te stromen. Misschien was zij een verleidelijke Sirene voor Don Quichot, op weg naar de Grot van Montesinos na zijn krankzinnige avonturen met de door Sancho Panza betoverde Dulcinea, een begrafenisstoet en de Ridder van de Spiegels.
Het oudere echtpaar van pension Patio is zo vriendelijk Frank een Vespino-brommer te lenen. Na enig zoeken geraakt Frank op een stille weg door ruig terrein. Daar staat het, duidelijk aangegeven: Cueva de Montesinos. Voor alle duidelijkheid een splinternieuw bordje Centro de Recepción ernaast. Dat belooft wat.
Maar vooralsnog hobbelt z’n brommer over een pad vol keien en kuilen omlaag naar een volgend bordje, waarop in dikke, zwarte hoofdletters de volgende tekst: ‘Een vrijwillige gids stelt zich kosteloos en vrijwillig beschikbaar om de grot te bezoeken. Het staat hen die geen gids willen vrij de grot te bezoeken zonder gids. De grot is vrij toegankelijk, alleen is er geen licht. De gids beschikt over lantarens. De gids is niet aansprakelijk voor ongevallen. Weest voorzichtig bij de afdaling. Gelieve deze mededeling te lezen. Ossa de Montielgids: Angel Gomez.’ Achter dit bordje duikt de rotsige grond steil omlaag in een forse spelonk. Langs de rand groeien wat geurige rozemarijnstruikjes. Vanuit een bosje verderop verschijnt een oudere man, kennelijk de auteur van de in zwarte hoofdletters gestelde tekst. Hij is in de zestig, heeft een bruin, gelooid gezicht en loopt op versleten gymschoenen. Hij biedt Frank een sigaret aan. Ze roken en praten wat. Er verschijnen nog een paar bezoekers. Dan haalt de gids vier grote zaklampen tevoorschijn en begint de afdaling.
De spelonk vormt de toegang tot de dankzij de Quijote zo beroemd geworden Grot van Montesinos. Toen Don Quichot en Sancho Panza bij de grot aankwamen, zei Don Quichot dat hij wilde weten hoe zij eruitzag, al was de grot zo diep als de helse afgrond. Daarom kochten zij ‘zowat honderd vadem touw, en de volgende dag om twee uur ‘s middags bereikten zij de grot (…) en sloeg hij de hand aan het zwaard en begon het struikgewas aan de mond van de grot kort en klein te slaan, op welk rumoer en leven daaruit ontelbare grote raven en gaaien opvlogen, zo snel en dicht dat zij Don Quichot tegen de grond wierpen; en ware hij even bijgelovig als katholiek christen, hij zou het als een slecht voorteken hebben beschouwd.’
Vierhonderd jaar later dalen, verbonden door een onzichtbaar touw, een tanige Spaanse gids, een jong stel uit Granada en een Amsterdammer in de aardedonkere grot af. Lichtbundels schieten langs de glimmende wanden. Frank moet oppassen niet uit te glijden of het hoofd te stoten, want de hoogte van de gangen wisselt voortdurend. ‘Hier zien jullie het gezicht van Cervantes!’ roept de gids, wijzend op een rots die met de op deze beroemde plek vanzelf opwellende fantasie wel iets van een gezicht heeft. Een meertje, misschien een ondergrondse lagune, duikt op. ‘Daar onder water zie je een steen in de vorm van een krokodil met geopende kaken,’ wijst de gids. De grottenveteraan zet er vaart in.
Frank raakt wat buiten adem en moet bovendien een lichte claustrofobie onderdrukken. Gelukkig stokt zijn woordenstroom zelden. In de inktzwarte duisternis van de grot vullen de krochten van Franks hersenpan zich met vurig gestemde verhalen over de avonturen die Don Quichot hier beleefde. Hij verstaat slechts de helft van ‘s gids woorden, maar de verbeelding vult meer dan voldoende aan. Weer bovengronds schijnt de zon nog even fel, kwetteren de vogels nog even hard en ruikt de rozemarijn nog net zo lekker als daarnet. Alles is nog hetzelfde. In de verte hoort Frank de ijle klanken van een kerkklok die twee keer slaat. Als het die van Ruidera is, kan het net zo goed een uur zijn.
Zwaar vrachtverkeer dendert rakelings langs de gevels van het lintdorp.
Frank heeft de brommer voor een bus van de streekdienst verruild en rijdt Argamasilla de Alba binnen, naar hij heeft gelezen het Mekka van de Cervantes-vereerders. Twee kilometer verder, aan de andere kant van de bebouwde kom, is het busstation. Hij zeult met z’n bagage terug naar het centrum en stapt een bar in om naar goedkoop logies te vragen.
De kamer in pension Torres is schoon en beschikt over een wastafel en een vriendelijk uitzicht. Helaas ontbreekt een schrijftafel, maar de barkeeper laat hem beneden in de eetzaal achter de bar plaatsnemen. Buiten etenstijden kan Frank er rustig werken.
In 1905 vierde Spanje het feit dat driehonderd jaar tevoren het eerste deel van de Don Quichot uitkwam. De schrijver Azorín volgde de voetsporen van Don Quichot en schreef er een serie artikelen over. Naast Azorín publiceerde ook Miguel de Unanumo een gedenkboek. Beide auteurs interpreteren de Quijote op hun manier.
Bij het beroemde verhaal van de windmolens bedient Unanumo zich van een originele omkering van het perspectief: ‘(…) Het was niet Don Quichot die zich vergiste door de molens voor monsterlijke reuzen (van oprukkende technologie) aan te zien, maar het was Sancho Panza die zichzelf voor de gek hield door zijn angst voor die technologie te negeren en, met ons, slechts windmolens te zien in de ellendige reuzen die wederrechtelijk kwaad zaaien over de wereld. Die windmolens maalden voor brood: het brood waarvan zij eten die met verhardheid blind zijn. Nu nemen zij voor ons niet langer de gestalte aan van windmolens, maar van locomotieven, dynamo’s, turbines, stoomschepen, auto’s en mitrailleurs, maar allen vormen een conspiratie tot kwaad.’
Het is nog in de voormiddag. Frank verlaat z’n kamer op zoek naar een gelegenheid om wat te eten. Tegenover de kerk trekt een ruim café met mooi betegelde ingang zijn aandacht. Hij bestelt koffie en vraagt de barkeeper of, eh…, Don Quichot hier misschien ooit is gesignaleerd. De man kan die vraag niet met zekerheid beantwoorden, maar daar verderop aan de bar staat toevallig de dochter van de plaatselijke Cervantes-kenner… Ontspannen staan ze enkele meters van hem vandaan een kop koffie te drinken, twee jonge vrouwen van in de dertig. De blonde heeft een typisch mediterraan, gedrongen lichaam met een jongensachtige uitstraling. De ander is donker en frêle en heeft een fijn gezicht en kastanjebruin haar. Het geeft haar iets noordelijkers, Zuid-Frankrijk misschien. Naast haar staat een reistas op de grond. Ana, want zo heet ze, is zojuist terug van een vakantie op Mallorca. Haar vriendin heeft op haar woning gepast en ze staan net bij te praten.
Te mooi om toeval te zijn. Ana en Frank zijn beiden een uur geleden in Argamasilla aangekomen, misschien wel met dezelfde bus. Ze stapten uit, zij sloeg een hoek om en hij ging op zoek naar een hotel. De broeierige stilte, de beklemmende leegheid van dit ‘My name is nobody’- dorp krijgt geen kans nu de vriendelijke barkeeper hem de aantrekkelijke dochter van de plaatselijke Cervantes-kenner aanwijst. De tijd heeft hem al ingehaald, uitschietend ver weg boven de knellende alledaagsheid. Wèg is de gemoedelijke mannen-onder-elkaar toon waarmee hij de barkeeper had aangesproken, wèg is de stilte in zijn hoofd – me llamo Frank, de Holanda.
Hij loopt op de twee vrouwen af. Met een stijf gezicht maakt hij de reden van zijn komst naar La Mancha kenbaar. Hij hoort zichzelf iets zeggen over de ‘route van Don Quichot’, alsof hij een uit het hoofd geleerd lesje opdreunt. Vijf minuten later loopt hij zenuwachtig op straat, geflankeerd door de twee dames. Of hij meegaat een hapje eten. Het is tenslotte etenstijd. Ana blijkt aan de hoofdweg van het dorp te wonen. Binnen verontschuldigt zij zich voor de rommel, ze moet nog uitpakken. Haar blonde vriendin leidt Franks aandacht af door hem het huis te laten zien.
De maaltijd bestaat uit een salade met maïs en vis, een gebakken ei en een regionaal gerecht, pisto manchego, een pikant mengsel van ondermeer tomaat, pepers en knoflook dat al baño Maria bereid wordt. Ze praten over Nederland, La Mancha, Cervantes en Ana’s vader, de heer Juan Alfonso Padilla. Hij is 78 jaar en zwak van gezondheid, maar hoopt nog een lijvige studie te publiceren, waarin hij tracht aan te tonen dat de grote concurrent van Cervantes destijds, Avellaneda, uit Argamasilla afkomstig was. Achter het pseudoniem Avellaneda hield zich een mysterieuze figuur schuil die Cervantes de schrik op het lijf joeg door onverwachts en eigenhandig een vervolg op het eerste deel van de Quijote te publiceren.
Na het eten vergezelt Ana Frank naar de elektrawinkel van een dorpsgenoot die de avonturen van de Geestrijke Ridder eveneens na aan het hart gaan. Daar staat hij onvoorbereid oog in oog met José Díaz-Pintado Carretón, secretaris van Los Académicos de Argamasilla, een illuster gezelschap van plaatselijke Quijote-kenners waarvan de voorgangers al ten tijde van Cervantes bijeenkwamen. De schrijver vermeldde ze zelfs in een epitaaf aan het slot van de Quijote – beter gezegd: stak de draak met hen. De eeuwen daarna werd de vereniging vele malen heropgericht. Momenteel telt zij zo’n vijftig leden, vertelt señor Carretón hem met overdonderend enthousiasme tussen de wekkerradio’s, strijkbouten en batterijen.
De Académicos komen viermaal per jaar bijeen in een juicio crítico, een tribunaal in de vorm van een rechtszitting waarin nieuwe leden kunnen toetreden. De aspirant-leden zijn verplicht een these over een of ander onderwerp uit de Don Quichot te schrijven en die aan vraag en wedervraag te onderwerpen tijdens de acto, bestaand uit drie conferencias. Daarnaast vindt jaarlijks een literaire salon plaats op de sterfdag van Cervantes, 23 april – tevens Landelijke Boekendag in Spanje. Na afloop begeeft het gezelschap zich naar een plaatselijk restaurant, waar de polemiek zich meer ongedwongen voortzet tijdens een onvervalst manchego diner.
Hoewel de feiten het aannemelijker maken dat Cervantes de figuur van zijn beroemde ridder baseerde op de eerdergenoemde Don Alonso de Quijada uit Esquivias (in de provincie Toledo), houden de Academicos de Argamasilla vol dat de schrijver zich inspireerde op een zekere Don Rodrigo de Pacheco. Deze woonde in Argamasilla. Hij was net als Don Quichot vrijgezel en hij woonde samen met zijn nicht en zijn huishoudster. Het belangrijkste bewijsstuk voor deze stelling hangt in de plaatselijke kerk, beweert José ‘Pepe’ Carretón. Of Frank het wil zien? ‘Son las ocho, son las ocho,’ piept plotseling een mechanisch stemmetje uit een wekkerradio in de etalage. Acht uur dus en dat komt goed uit want dan loopt de mis af, zegt Carretón.
De Académico sluit zijn winkel af met een rolhek en vergezelt Frank naar de kerk. Ze wachten even met gevouwen handen tot de hostie is uitgedeeld. Carretón slaat een kruis en leidt hem vervolgens naar een groot schilderij dat in de voormalige kapel van een rijke familie hangt. Een schilderij in de stijl van El Greco, maar van de hand van Don Rodrigo de Pacheco, de genoemde tijdgenoot van Cervantes. Hij schonk het indertijd aan de kerk uit blijdschap om zijn genezing van ‘een hevige aandoening die tot een sterke onderkoeling van de hersenen had geleid’. Hij heeft zichzelf afgebeeld, de maagd Maria aanroepende. Volgens de Académicos vertoont zijn uiterlijk een opvallende gelijkenis met dat van Don Quichot. Die had inderdaad ook iets aan z’n hersenen, maar onderkoeling lijkt gezien het volgende citaat uit de eerste bladzijden van de Quijote uitgesloten: ‘Onderwijl reed hij zo langzaam voort en de zon steeg zo snel en scheen zo heet dat zij hem best de hersenen had kunnen doen smelten, als hij ze gehad had.’ Ze verlaten de kerk, Frank neemt afscheid van de winkelier en loopt naar zijn pension in de Calle Solana.
De volgende middag ontmoet hij Ana en haar vriendin in een, gezien het agrarische karakter van het dorp, opvallend modern café. Ana heeft een boek over streekgeschiedenis voor hem meegebracht van de hand van haar vader. Hij voelt zich erg vereerd.
Ana vertelt als psychologe bij de gemeente te werken. Hij kan haar leeftijd moeilijk schatten. Ongeveer 37, denkt hij. Hij heeft het zo druk de juiste Spaanse bewoordingen te vinden dat hij de aandachtige twinkeling in haar ogen niet ziet. Bovendien is zijn hoofd nog gebogen over boeken, de gedachten vol van alle actie daarin gelezen.
Terug op zijn pensionkamer slaat Frank het boek van Ana’s vader open. Het bevat een hoofdstuk over Cervantes. Opgewonden tracht hij het Spaans te begrijpen. Cervantes verbleef rond 1602 in Argamasilla om belastingaccijnzen te innen voor koning Philips II, die hard geld nodig had voor zijn ‘onoverwinnelijke’ Armada. Hij verbleef bij de eerder genoemde Don Rodrigo de Pacheco, die tevens een niet onaantrekkelijke nicht in huis had. Cervantes raakt op haar verliefd, maar het verhaal vertelt niet of zij op zijn avances inging. Wèl dat oomlief niet gediend was van de verlangens van de schrijver-belastinginner.
De toenmalige burgemeester had nog minder op met het geflikflooi van Cervantes, of het nu de belastingcenten of de nicht betrof. De toen nog vrij onbekende schrijver werd opgepakt en in een geïmproviseerde cel gezet, een kelder onder het Casa de Medrano, waarvan in het boek een zwartwit fotootje is afgedrukt. ‘Monumento Historico-Artistico Nacional’ staat erbij vermeld: een wit, robuust Castilliaans huis met een grote poort en ramen als schietgaten.
Toen plaatselijke intellectuelen van de opsluiting vernamen, dienden ze verontwaardigd een protest in tegen het opsluiten van ‘niemand minder dan de auteur van de Quijote,’ zo citeert Padilla. Hij voegt daar echter zelf onverschrokken aan toe: ‘Maar Cervantes had noch de Quijote geschreven, noch iets anders nieuws. Pas hier, in gevangenschap, schreef hij het eerste deel van het beroemde boek.’ Cervantes, die tijdens een eerder doorgemaakt krijgsgevangenschap gewend was geraakt aan kerkers en krochten, voelde zich in de kelder onder het Casa de Medrano dus zodanig op z’n gemak dat hij bij het spaarzame licht van een gat in het plafond in een paar dagen een briljante roman van zevenhonderd bladzijden kon schrijven.
Frank loopt na de siësta bij Ana’s huis langs. Ze is thuis van haar werk en ze praten wat. Tegen de avond lopen ze naar een bar waar ze haar vrienden ontmoeten. De stemming komt er goed in en als het gezelschap besluit de avond elders voort te zetten, wordt hij meegevraagd. Ze vertrekken richting Tomelloso, een provinciestadje waar wereldser vertier wacht. In de eerste bar die ze aandoen, wordt tot zijn verbazing een plaat van de Californische groep Green On Red op de draaitafel gelegd. De melancholieke country & western over loners, verloren liefdes en een broken radio laat zich moeiteloos overbrengen naar La Mancha. De jongeman achter de bar steekt opeens de brand in een likeurtje zodat de glaasjes bijna springen van de blauwgele vlammen. Er is iemand jarig. Frank praat honderduit met iedereen die in z’n buurt staat en voelt zich de minuut beter. Dan de disco. Deze heeft meer weg van een hangar of ongebruikt tuincentrum. Het dak is van golfplaat, overal staat tuinmeubilair opgesteld om zich te verpozen en de dansvloer bestaat uit grijze graniettegels. Het overwegend jonge publiek beweegt zich wat onhandig op dit gestileerde schoolplein. De deejay is er nog niet in geslaagd de kalme manchegos in vervoering te brengen. Ze houden zich op hun spreekwoordelijke vlakte, de zonen en dochters van de wijnboeren.
Het groepje rond Ana en Frank is wat ouder en minder geremd. Ana danst zich in het zweet en begint na een half uur wat aan Frank te hangen. Ze ruikt lekker en heeft een slank en soepel lijf. Eindelijk denkt hij eens niet meer aan z’n verhaal.
Op de terugweg zit Frank naast de bestuurster, een mollige geblondeerde vriendin van Ana. Ze praat druk, zoals het een Spaanse betaamt, zelfs in dit nachtelijk uur. Ana zit alleen op de achterbank. Moe, voldaan en wat aangeschoten leunt hij onderuit in z’n stoel en laat z’n achterhoofd tegen de hoofdsteun rusten. De schijnwerpers voor hem priemen hun lichtbundels op het asfalt. Af en toe hoort hij Ana achterin iets instemmends mompelen. Dan slaat ze haar handen om de hoofdsteun waartegen zijn hoofd rust. Er begint iets te tintelen in z’n tenen en op z’n slapen, een wolk van opwinding slaat neer in de voortsnellende kooi. Zachtjes strijkt ze door z’n haar. Hij hoort haar diep ademen en neigt z’n hoofd naar links. Voordat hij iets kan zien, dringt haar hete tong tussen z’n lippen, tussen z’n tanden. Ze suizen met vastgeklonken monden zeker een kilometer voort. Duizelig van genot proeft hij de lippen die half achter hem steeds weer gloeiend opengaan. Hij ziet niets, ruikt haar nauwelijks, hoort haar slechts zuchten, maar voelt, voelt, voelt zijn hongerige mond als nooit tevoren. Bloed dendert van hart naar mond en terug als een waterval, terwijl ze rijden, in de nacht, wild en zacht.
Ze worden voor haar deur afgezet. De hoofdstraat ligt er verlaten bij. Zij pakt haar huissleutel en laat hem binnen. Ze zeggen weinig, alleen iets over una noche. Boven omhelzen ze elkaar bij het schijnsel van de straatlantarens. Met haar armen om z’n nek springt ze tegen hem op en slaat haar benen om zijn dijen. Het kruis van haar strakke jeans schuurt tegen z’n gulp. Ze is onwaarschijnlijk licht. Onhandig zoenend banjert hij de kamer rond terwijl ze als een aapje om z’n nek hangt. Zijn handen omvatten haar kleine, stevige billen. Hij zoekt een plek om neer te ploffen, maar haar kastanjerode haren vallen over z’n gezicht.
Ze zijn allebei aangeschoten en moe. Wat zouden ze nu praten? Ze kleden zich half struikelend uit. Inmiddels zijn ze in de slaapkamer beland. Ze steekt een paar gele, rode en blauwe waxinelichtjes in haar slaapkamer. Haar slordig opgemaakte bed wacht in de hoek. ‘Ze heeft anorexia,’ schiet het door z’n hoofd als haar al te slanke lijf zich met het zijne verstrengelt. Terwijl zijn handen steeds wilder over haar oorschelpen, hals, borsten, heupen, billen gaan, schuurt haar mond als de ruwe tong van een kat langs zijn lippen. Even later stuwt z’n bloed door alle ledematen. Zijn lid blijft echter onder de maat. De verticale glimlach in haar schoot blijft droog. Een condoom is trouwens niet voorhanden en hij is beducht voor Het Virus. (Veel later stelde Frank zich voor waarom Don Quichot maar rusteloos bleef rondtrekken. In de lente, als de winterkou net is geweken, zijn de vrouwen van La Mancha hongerig en vurig. In de herfst, als de dieprode druiventrossen als overvolle uiers aan de ranken hangen en de in de zon geblakerde akkers wat zijn afgekoeld, zijn ze dorstig en rijp.)
Ondanks z’n uitputting na de lange dag kan hij de slaap niet vatten, ontroerd door de slapende vrouw naast hem. Opgewonden luistert hij naar haar rustige ademhaling. Tegen de ochtend vrijen ze weer, waarna hij op zoek gaat naar een toilet in het nu vreemde huis. Daar neemt hij een moeilijk besluit. Hij loopt terug naar haar slaapkamer, zoekt z’n rondslingerende kleren bij elkaar, kleedt zich aan en neemt van haar afscheid. Ze zeggen niet veel, kijken elkaar kort en vertrouwelijk aan. Ze loopt met hem mee naar de voordeur en hij stapt de straat op, het verbijsterend felle zonlicht in.
Argamasilla is net als Don Quichot prettig gestoord. Cervantes was een wijs man, maar kon niet weten dat de gekte van zijn voornaamste creatie tot op de dag van vandaag blijft overslaan op iedere sterveling die zich serieus in de avonturen van Don Quichot verdiept.
Als Frank ‘s middags uit z’n siësta ontwaakt, loopt hij nog wat slaapdronken over het zonnige dorpsplein. Een schittering verderop trekt de aandacht en haalt hem uit zijn overpeinzingen. Over de arm van de man die nu recht op hem afloopt, hangt een enorm gouden horloge. Het ding is zeker een meter lang, het armatuur twintig centimeter breed. Om de beide mouwen van zijn donkere colbert zit een tiental horloges van normale afmetingen, alsof hij een goochelaar is die z’n jasje binnenstebuiten heeft gekeerd. Zijn zwarte ogen vangen Franks verbaasde blik en hij begint op nonchalante wijze de functie van een wekkerradio te demonstreren. Het ding stoot een chipgestuurd muziekriedeltje uit en Frank schiet in de lach als hij het droefgeestige zigeunergezicht met hangsnor ziet. De man merkt zijn aarzeling en prijst vreemd genoeg het reusachtige horloge aan. Frank houdt het op een etalagemodel. Hij weet niets anders te zeggen dan dat zijn bagage er moeilijk een soortement hangklok bij kan hebben. Maar de straatventer loopt al door. Vanwaar die gedreven haast? Frank kan zich niet voorstellen dat de man veel van zijn klokjes zal slijten op zijn ronde door Argamasilla.
Aan de overkant van het plein ziet hij de nog gesloten elektrawinkel van meneer Pepe liggen, de feitelijke concurrent, de reus van verankerde technologie die de kleine straatventer moet trachten te verslaan. Misschien verklaart dat zijn haast, de man maakt slechts handig gebruik van de siësta, die dode uren waarop heel Spanje z’n winkel sluit, de warme maaltijd nuttigt, vergenoegd onderuitzakt, aan de huwelijkse plicht voldoet en zich slapend of dagdromend verliest in visioenen en herinneringen. De uren waarop Spanje alle tijd van de wereld heeft.
De man loopt door en verdwijnt om een bocht. Elders zal hij de strijd met een volgende windmolen aangaan. Dit moet hem zijn, denkt Frank, dit moet hem zijn.
(Dit stuk verscheen eerder in Millennium nr 2, lente 1994, door © Erik Orendi – illustraties Dick van Schaick)
Dwaas dolende ridder
450 jaar na de geboorte van Miguel de Cervantes (1547-1616) wordt de dolende ridder Don Quichot van La Mancha eindelijk bevrijd van zijn geromantiseerde voorstelling. De vernuftige edelman van La Mancha mag, in de nieuwe vertaling van Barber van de Pol, weer gewoon gek zijn in een door en door wrede wereld.
Wie een kunstwerk uit vervlogen tijden beschouwt, kijkt altijd door de bril van de tussenliggende eeuwen. Oudere interpretaties schuiven als een voorzetlens tussen ons en het kunstwerk. Soms kan het nuttig zijn die oudere opvattingen te analyseren om de troebele vernislaag eraf te schrapen. Want troebel kan hij zijn. Zo heeft de negentiende eeuw ons beeld van deze dwaze windmolenbestrijder en zijn aardse schildknaap Sancho Panza ingrijpend beïnvloed.
Tot laat in de achttiende eeuw werd het werk algemeen gezien als komisch en amusant, waarin Don Quichot, die zoals bekend, gek is geworden door de lectuur van te veel ridderromans, belachelijk wordt gemaakt en er telkens flink van langs krijgt. Alles wijst erop dat Cervantes de lezer inderdaad louter wilde vermaken met de rare capriolen van de dwaze ridder. Begin negentiende eeuw vond er een verandering plaats: Duitse idealistische filosofen zagen Don Quichot niet meer als de waanzinnige die zijn absurde wereldbeeld verdedigt tegen de rest van de mensheid. Hij werd een heldhaftige strijder tegen de uiterlijke oppervlakkigheid der dingen. Humor werd slechts een instrument om tot de ware betekenis door te dringen.
Schelling, de filosoof van de Duitse romantiek, was toen wellicht de belangrijkste interpreet van de Quichot. In Philosophie der Kunst (1802) ziet hij als centraal thema van de Quichot de strijd tussen realisme en idealisme. Een twintigste-eeuwse Spaanse criticus schreef in het verlengde daarvan dat de alles overkoepelende vraag bij Cervantes luidt: ‘Wat is de aard van de objectieve werkelijkheid?’ Uiteraard zijn dat belangrijke thema’s in de Quichot, maar niets wijst erop dat Cervantes de relatie tussen schijn en wezen als filosofische vraag wil stellen. Hij goochelt voortdurend met de waarheid, brengt vele dubbele bodems aan en nodigt de lezer uit tot literaire spelletjes, maar alleen om zijn parodie op de ridderroman meer kracht bij te zetten en de lezer te amuseren. De Quichot is één groot spel.
Tragische held
Voor de romantici is het boek echter niet een groot spel. Men ging het boek steeds triester vinden, getuige de vaak geciteerde woorden van Byron: ‘Of all tales ’tis the saddest – and more sad because it makes us smile.’ De romantiek maakte een tragische held van Don Quichot, in zijn tot mislukking gedoemde pogingen het hogere na te streven. Bijgevolg verdween Sancho Panza steeds meer naar de achtergrond: hij werd gedegradeerd tot de spreekbuis van eigenbelang en boerenverstand, terwijl we tegenwoordig het illustere duo veel meer als een onlosmakelijke eenheid beschouwen. De romantiek had dan ook weinig oog voor de toenadering tussen ridder en knecht (Don Quichot gaat in de loop van het verhaal meer op Sancho lijken en omgekeerd).
In het denken van de Romantiek was het niet langer toelaatbaar te lachen om krankzinnigheid. Men zag deze afwijking als een tragische ziekte, een meelijwekkende kwaal, die echter wel tot inzichten kon leiden die voor de rede ontoegankelijk waren. De waanzin maakte de held alleen maar tragischer. Ook in onze eeuw is het niet gepast krankzinnigen uit te lachen, maar dat was in de tijd van Cervantes wel anders. In de vijftiende eeuw werden in Europa de eerste tehuizen voor geestelijk gestoorden opgericht (de oudste in Spanje is dat van Valencia, in 1409), maar dat betekende niet dat men medelijden met deze mensen had: zo mocht het publiek op kermisdagen de binnenplaatsen van zo’n dolhuis op – wel tegen betaling, maar je kreeg er wat voor terug, want je mocht bij de hokken om de gekken te bekijken en te bespotten. En tussendoor kon je bij een koekkraam op krachten komen. Betalende patiënten hoefden deze vernedering niet te ondergaan. Deze drukbezochte dolhuiskermis heeft tot begin negentiende eeuw bestaan.
Nietzsche wijst er in Zur Genealogie der Moral op dat het niet lang geleden is dat volksfeesten en koninklijke bruiloften werden opgeluisterd met een terechtstelling, foltering of ketterverbranding en dat aanzienlijke families altijd wel iemand hadden op wie ze zonder bezwaar hun wrede spotternij konden richten. Nietzsche noemt de hertog en de hertogin uit het tweede deel van de Quichot, die de dolende ridder opzettelijk in geënsceneerde situaties brengen om hem tot krankzinnige daden te verleiden, puur ter vermaak en niet gehinderd door een slecht geweten. Het hertogelijk paar heeft het eerste deel van de Quichot gelezen en is dus uitstekend op de hoogte van zijn waanzin. De lezer mag als het ware door de verborgen camera meekijken en vol genot toezien hoe de dolende ridder erin geluisd wordt. ‘Wir lesen heute den ganzen Don Quixote mit einem bittren Geschmack auf der Zunge,’ zegt Nietzsche. Het is volgens hem bijna een marteling het te moeten lezen en daarmee staat hij ver af van Cervantes’ tijdgenoten, die zich bijna dood lachten om het grappigste aller boeken, zonder last van hun geweten.
Het is dus aannemelijk dat men vóór de romantiek onbekommerd lachte om de vele wrede mishandelingen die ridder en schildknaap ondergaan: een flink pak slaag was komisch, hoe bloederig en pijnlijk ook. Wie er tegenwoordig nog om wil lachen, staat vrij dat te doen. De meeste moderne lezers zullen echter meer plezier beleven aan bijvoorbeeld de virtuoze dialogen tussen Don Quichot en Sancho, die spreekwoord op spreekwoord stapelt, liefst totaal verkeerd gebruikt.
Exotisch
De negentiende-eeuwse interpretatie werkt door in veel twintigste-eeuwse vertalingen. Een mooi voorbeeld hiervan is te vinden in de vertaling uit 1941-1943 van de Utrechtse hoogleraar Spaanse taal- en letterkunde C.F.A. van Dam en de dichter J.W.F. Werumeus Buning. Zij spreken van de Ridder van de Droevige Figuur, een uitdrukking die zelfs van Dale heeft gehaald. In hoofdstuk 19 van het eerste deel gooien een aantal kwaad geworden schaapherders stenen naar het hoofd van Don Quichot: zijn gezicht raakt gehavend en hij verliest wat tanden en kiezen. Daarna verzint Sancho een nieuwe naam voor hem: Caballero de la Triste Figura. Nu kan figura zowel figuur als gezicht betekenen. Sancho zelf maakt echter duidelijk dat het hier om Don Quichots gezicht gaat. Van de Pol maakt er terecht de Ridder met het Droeve Gelaat van, eigenlijk dezelfde uitleg die Thomas Shelton – niet gehinderd door de romantiek – al gaf in zijn Engelse vertaling van 1612: Knight of the Ill-Favoured Face. In de twintigste eeuw vinden we anachronistische vertalingen als Sir Knight of the Sorrowful Figure, wat nog een christelijk tintje geeft aan zijn tragische lijden. Op deze manier wordt de tragische held kunstmatig in leven gehouden.
Ook in taalgebruik ademt de vertaling van Van Dam de geest van de vorige eeuw: hij put vaak uit een negentiende-eeuws idioom, met soms een neiging naar exotismen (`señor’), die zijn wortels vindt in de romantiek. De romantici probeerden immers aan het smartelijke hier en nu te ontkomen door onder te duiken in het exotische of het verleden, getuige de hernieuwde belangstelling voor historische en ridderromans.
Barber van de Pol heeft geprobeerd Franse woorden van na de Franse tijd (en dus ook negentiende-eeuws ‘gallicismen’) uit haar vertaling te weren. Van ieder Frans woord is ze nagegaan of het al vóór Napoleon werd gebruikt. Zo niet: eruit ermee! Maar helaas, sommige Franse woorden zijn inmiddels zo ingeburgerd dat deze vorm van purisme zinloos wordt als het te ver wordt doorgevoerd. De vertaalster merkte gaandeweg dat ze hier niet al te streng in kon zijn. Maar dat is ook niet nodig. Belangrijker is dat ze erin is geslaagd het negentiende-eeuwse vernis eraf te krabben en veel dichter bij de oorspronkelijke tekst te blijven, zodat de stilistische subtiliteiten van Cervantes en daarmee de waanzin van Don Quichot beter tot uiting komen. Immers, ook op de heldere momenten van ridder laat de schrijver merken dat we hier toch werkelijk met een komische dwaas te maken hebben, hetzij door een potsierlijke of ironische opmerking van Sancho Panza of andere personages, hetzij door de dolende ridder zelf een vulgaire of ongepaste uitdrukking in de mond te leggen, terwijl hij anders zo literair en verheven spreekt.
Veelzeggend is het feit dat Van Dam Gustave Doré (1832-1883) de beste illustrator van de Quichot vond. Ook de pas verschenen nieuwe vertaling is voorzien van alle illustraties die Doré bij het werk van Cervantes maakte. Hoe amusant die platen ook zijn, het blijft één interpretatie en wel een van een zeer anachronistische romantiek. Aanvankelijk beperkt Doré zich tot de folkloristische taferelen, interieurs en de belevenissen van de personages zelf, maar in de loop van het verhaal dringt de romantiek zich op: Don Quichot en Sancho Panza worden verzwolgen door het weelderige, exotische landschap. Ze lossen op in hun omgeving, precies wat de romantici wilden: hun afkeer voor de medemens doet hen troost zoeken in de onbedorven natuur, waarmee ze één trachten te worden, zoals ook Schelling de eenheid van bewustzijn en natuur zocht. Maar Cervantes is geen Zola of Voskuil: in de Quichot staan opmerkelijk weinig beschrijvingen van de omgeving. Cervantes concentreert zich op het verhaal en het landschap en het weer zijn opvallend afwezig. Het regent nooit in de Quichot, merkte Flaubert droog op. (Hij vergist zich: in het eerste deel regent het een keer, namelijk in het beroemde hoofdstuk 21, waarin een barbier tegen de regen een scheerbekken op zijn hoofd zet. Don Quichot denkt daarin de helm van de legendarische Mambrino te herkennen.)
Sterfbed
De Don Quichot van Doré lijkt op de Heilige Hiëronymus, zoals deze bijvoorbeeld door de maniëristen werd voorgesteld: vrijwel altijd als een magere grijsaard met een lange baard. En in het allerlaatste hoofdstuk zien we Don Quichot op zijn sterfbed, omringd door zijn wenende vrienden. Doré maakt er een dramatisch tafereel van: het lijkt een aanbidding van een stervende heilige. Sancho Panza heeft een traan op zijn wang en heeft de blik wanhopig ten hemel gericht. Op de pagina tegenover de illustratie lezen we in de tekst dat er weliswaar ‘deernis en tranen’ waren, maar ‘Het huis was in rep en roer; toch at de nicht, dronk de huishoudster en had Sancho Panza schik, want een erfenis wist of verzacht enigermate de smartelijke herinnering die de dode als het goed is nalaat.’ Het contrast tussen tekst en illustratie werkt op de lachspieren, zo ongeveer als Marten Toonder het opzettelijk doet in zijn Bommelverhalen, maar dat kan toch nooit de bedoeling van Doré zijn geweest.
Goede werken overleven hun interpretaties: ze zijn niet onder één hoedje te vangen. Ter Braak zegt wat stijfjes: ‘De moderne mens herkent iets van zichzelf in […] Don Quichote en daarom lust het hem die personages telkens weer onder het perspectief van zijn eigen “belangen” te zien.’ Dat is dan ook ruimschoots gebeurd in de bijna vier eeuwen dat het boek oud is. Lopen in het verhaal alle strevingen van Don Quichot op niets uit, buiten het boek heeft hij zijn interpretatoren tot nu toe overleefd. Gewoon leesplezier is gelukkig nog (of weer) mogelijk.
© Alwin van Ee studeerde Spaanse taal- en letterkunde. Dit essay over de vertaling van de Don Quichot van Cervantes is eerder verschenen in Filosofie Magazine, jaargang 6 nr. 4, mei 1997)
Vloeiende nieuwe vertaling maakt Don Quichot leesbaarder
In de geest van Cervantes
door Alwin van Ee
‘Kiest niet het hazenpad, laffe, verachtelijke schepsels, want het is maar één ridder die u aanvalt,’ roept Don Quichot tijdens zijn strijd tegen de windmolens in de waan dat het reuzen zijn. Zo klinkt deze vaak aangehaalde zin in de nieuwe vertaling van Barber van de Pol, die na vier jaar werk een nieuw literair monument in de Nederlandse taal heeft opgericht. Wie zo’n meesterwerk vertaalt moet zelf over evenveel moed als Don Quichot beschikken, want een leger critici staat klaar om het zwaard te heffen. Duizenden werken zijn er al geschreven over Cervantes en de Quichot is het meest vertaalde boek na de bijbel. De nieuwe Quichot is de vierde integrale vertaling in het Nederlands sinds de verschijning van het origineel in 1605 en 1615 (tweede deel). De eerste vertaling dateert uit 1657, de tweede verscheen pas in 1855, van de hand van de Utrechtse letterlievende advocaat mr. C.L. Schuller tot Peursum. De derde was die 1941 van de Utrechtse hispanist C.F.A. van Dam en de dichter J.W.F. Werumeus Buning. Daarnaast zijn er uiteraard talrijke
bekorte versies geweest, dikwijls geïllustreerd en in de vorm van een kinderboek. Vooral de vertaling van Van Dam en Werumeus Buning heeft de laatste 55 jaar het beeld van de idealistische Don Quichot en zijn aardse schildknaap Sancho Panza in het Nederlandse taalgebied bepaald.
Van Dam (1899-1972) was van 1927 tot maar liefst 1969 (tot 1948 buitengewoon, daarna gewoon) hoogleraar Spaanse taal- en letterkunde aan de Utrechtse universiteit en heeft het gezicht van deze studie in hoge mate bepaald. Hij zette ook de landelijk unieke Spaanse en Portugese bibliotheek op, nog steeds een voorname afdeling van de universitaire letterenbibliotheek. Daar vindt men veel van zijn eigen boeken terug. Zelfs de Spaanse exemplaren van de Quichot die hij voor de vertaling heeft gebruikt, zijn nog aanwezig,
compleet met de talloze aantekeningen die de zeer consciëntieuze Van Dam in de kantlijn maakte.
De vertaling van Van Dam en Werumeus Buning was echter niet zonder kritiek. Hoe spitsvondig en virtuoos ook, de vertalers gingen uiterst vrij te werk en interpreteerden te veel, zodat er onnodige verschuivingen ten opzichte van het origineel ontstonden en de suggestieve kracht van de brontekst hier en daar verloren ging.
Zij gebruikten prachtige ouderwetse, veelal negentiende-eeuwse woorden die we bij Van de Pol niet meer terugvinden, zoals potsbloed! (wordt: Heer aan toe!), hoerebroedsel (wordt: hoerenzoon) en schobberdebonken – tijdens een boerenbruiloft onttrekt lekkerbek Sancho Panza zich aan de ontstaande schermutselingen en ‘schobberdebonkt’ snel een lekker hapje – terwijl Cervantes in het Spaans een heel gewoon, onopvallend woord gebruikt. Veel archaïsche woorden moesten in de nieuwe vertaling sneuvelen om dichter bij het origineel te blijven.
In de loop der eeuwen is de waanzin van Don Quichot, die ontstaan is doordat hij te veel ridderromans heeft gelezen, op allerlei manieren uitgelegd. Zo probeerde men in de negentiende eeuw een tragische held van hem te maken. Bovengenoemde stilistische verschuivingen in de vertaling zijn van grote invloed op ons beeld van Don Quichots waanzin. Immers, zijn gekte wordt afgewisseld met perioden van grote helderheid, maar ook op deze lucide momenten laat Cervantes merken dat we hier toch echt met een komische dwaas te maken hebben, hetzij door een potsierlijke of ironische opmerking van Sancho Panza of andere personages, hetzij door de dolende ridder zelf een vulgaire of ongepaste uitdrukking in de mond te leggen, terwijl hij anders zo literair en verheven spreekt.
De vindingrijkheid en het overdreven doorgevoerde archaïsch taalgebruik leiden er bij Van Dam toe dat eigenlijk iederéén geschift lijkt en het subtiele spel van Cervantes verloren gaat. En dit is nu de grote kracht van de nieuwe, uiterst doordachte vertaling: door de veel grotere getrouwheid aan het origineel komen de verschillende gemoedstoestanden van Don Quichot beter tot zijn recht: zijn donquichotterie steekt scherper af tegen zijn `normalere’ omgeving.
We zien duidelijker wat een groot schrijver Cervantes eigenlijk was. Het Nederlands van Barber van de Pol is veel vloeiender, nauwkeuriger en uiteraard moderner, kortom veel leesbaarder. Meer in de geest van Cervantes dus, die schreef ter verpozing van de lezer, zoals hij in het voorwoord van het eerste deel aangeeft.
De nieuwe uitgave is wederom verluchtigd met de prenten van Gustave Doré. Wat mij betreft had de uitgever deze beter in het archief kunnen laten: de negentiende-eeuwse, enigszins romantiserende interpretatie van Doré past niet bij de veel oudere sfeer van ridderromans en het zeventiende-eeuwse Spanje. En illustraties geven het werk ten onrechte het aanzien van een kinderboek. Bovendien waren de twee kloeke delen zonder de talloze plaatjes wat handzamer geworden dan ze nu zijn.
Wie een boek wil schrijven of vertalen krijgt tegenwoordig zo ongeveer als eerste van zijn uitgever te horen dat voetnoten niet zijn toegestaan. Inderdaad, ze zijn in niet-wetenschappelijke uitgaven al sinds de jaren zeventig geheel uit de mode. Barber van de Pol voert als redenen aan dat Cervantes zelf ook geen noten gebruikte – zijn tijdgenoot Quevedo noemde noten ‘pispotten onder het bed van een boek’ – en dat de Quichot vooral een plezierig leesboek is. Het leesplezier ‘mag niet worden vergald door betweterij of smorende angstvalligheid’. Ik zie echter niet in waarom noten betweterig zouden moeten zijn.
Het is natuurlijk hinderlijk om voortdurend door een boek te moeten bladeren om noten te raadplegen, maar in het geval van de nieuwe vertaling van de Don Quichot waren ze wellicht wel op hun plaats geweest, juist om het leesplezier te verhogen, want er ontgaat veel aan de gemiddelde lezer van deze nieuwe vertaling. En wie ze niet wil lezen, slaat ze maar over.
Van Dam was terecht de mening toegedaan dat voetnoten voor een goed begrip van dergelijke oude teksten noodzakelijk zijn. Hij voegde er dan ook een stuk of zeshonderd toe aan de Quichot. Deze allerminst betweterige noten bieden de lezer telkens een schat aan informatie over de Spaanse taal, geschiedenis, het Spaanse leven van die tijd en de literatuur waar Cervantes zo vaak naar verwijst. De wat stroeve verantwoording van Barber van de Pol biedt de lezer weinig toelichting, maar gelukkig heeft ze aangekondigd een essay over het boek te gaan schrijven.
(verschenen in Utrechts Nieuwsblad, 15-3-1997)
© 1997 Alwin van Ee
Miguel de Cervantes, De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha, vertaald door Barber van de Pol, uitgever Atheneum-Polak & van Gennep, twee delen.
Alwin van Ee studeerde Spaanse taal- en letterkunde in Utrecht.













