Miguel de Cervantes en Don Quichot

Miguel de Cervantes y Saavedra
Miguel de Cervantes y Saavedra

Miguel de Cervantes y Saavedra (1547-1616) werd geboren in Alcalá de Henares als zoon van een chirurg. Hij stierf in dezelfde tijd als Shakespeare (er zaten waarschijnlijk ongeveer 10 dagen tussen). In 1569 vertrok Cervantes naar Italië, waar hij soldaat werd. In 1571 vocht hij mee tegen de Turken in de Slag bij Lepanto. Volgens ooggetuigen gedroeg hij zich uiterst heldhaftig. Hij werd geraakt door drie haakbusschoten en verloor het vermogen over zijn linkerarm. Zo kreeg hij de bijnaam ‘El Manco de Lepanto’ (de eenarmige van Lepanto). De Turken werden verslagen en Cervantes was er later zeer trots op dat hij meegevochten had. Toch was deze nederlaag relatief onbelangrijk voor het bloeiende Ottomaanse Rijk. Op de terugweg werd Cervantes gevangengenomen door piraten en daarna zat hij vijf jaar vast in Algiers. Hij werd uiteindelijk vrijgekocht door zijn familie en keerde terug naar Spanje. Daar schreef hij onder andere het toneelstuk El trato de Argel, waarin hij zijn ervaringen in gevangenschap verwerkte. In 1585 verscheen de herdersroman La Galatea. In 1587 kreeg Cervantes een aanstelling bij de bevoorrading van de Armada, die – de macht van Spanje was reeds tanende – in 1588 ten onder ging.

dq2In 1605 verscheen het eerste deel van zijn meesterwerk El Ingenioso Caballero Don Quijote de la Mancha, volgens velen de eerste roman uit de geschiedenis. Het tweede deel verscheen in 1615. De krankzinnige avonturen van Don Quijote (de moderne Spaanse spelling, in het origineel was dat Don Quixote – in het Nederlands tegenwoordig bij voorkeur: Don Quichot), die door de lectuur van ridderromans gek is geworden en zelf als dolende ridder de wereld intrekt om het onrecht te bestrijden, is aanvankelijk bedoeld als parodie op het genre van de ridderroman. (Overigens hebben dolende ridders in het Spanje van de 15e eeuw werkelijk bestaan.) Maar geleidelijk overstijgt Cervantes de parodievorm: vooral in het tweede deel wordt Don Quichots waanzin steeds meer afgewisseld door momenten van helderheid, waarin de ridder zeer verstandige oordelen weet te vellen, zozeer dat hij soms zelfs de enige is die de waarheid ziet, het thema van de verstandige waanzinnige, dat we ook al vinden in Lof der zotheid (1511) van Erasmus.

Hoewel in Alcalá de Henares een van de belangrijkste universiteiten van Spanje was gevestigd, is het niet zeker of Cervantes aan een universiteit heeft gestudeerd. Maar de auteur was zeer goed op de hoogte van het gedachtegoed van zijn tijd: de literatuurtheorieën van Aristoteles en Ariosto, het analytische humanisme van Erasmus, de medische opvattingen over sanguinische en melancholische temperamenten (de waanzin van Don Quichot past in een bepaald ziektebeeld) en uiteraard de ridderverhalen die in de vijftiende eeuw zeer geliefd waren geweest op het Iberische schiereiland. Hij was dus geenszins de geniale schrijver die zijn werken geheel uit het niets schiep, zoals men sinds de romantiek wel geloofde. Pas meer dan driehonderd jaar na het verschijnen van Don Quichot probeerde men het werk van Cervantes voor het eerst te plaatsen in de cultuurhistorische context van renaissance, humanisme en barok. Tot in deze eeuw ontkenden Spaanse literatuurhistorici de invloed van de renaissance op de Spaanse klassieken. In 1925 zette Américo Castro met het baanbrekende El pensamiento de Cervantes (De gedachtenwereld van Cervantes, Madrid 1925) de toon voor deze cultuurhistorische benadering. Vroegere interpretaties zijn evenwel belang omdat ze ons beeld van Don Quichot in hoge mate hebben beïnvloed.
In Don Quichot speelt Cervantes vaak een spel met de lezer: fictie en werkelijkheid lopen voortdurend door elkaar, niet alleen in de waarneming van Don Quichot zelf, maar ook in de presentatie van het verhaal: het is aanvankelijk gebaseerd op zogenaamd historische bronnen, later op een Arabisch manuscript dat Cervantes dan weer van commentaar voorziet. Toch wil de schrijver niet beweren dat het onderscheid tussen fictie en werkelijkheid niet te maken is: in het complot tussen auteur en lezer is er altijd een objectieve waarheid aan te wijzen. Cervantes schrijft in de eerste plaats om de lezer te vermaken.

picture33Cervantes heeft zijn neoaristotelische opvattingen over literatuur nooit systematisch uiteengezet, maar evenals in Don Quichot laat Cervantes soms zijn personages in Los trabajos de Persiles y Sigismunda (posthuum verschenen in 1617) discussiëren over literaire onderwerpen. Zijn Novelas ejemplares (1613) worden gezien als de eerste verhalenbundel uit de wereldliteratuur.

Direct na het verschijnen van het eerste deel van Don Quichot in 1605 was het werk een succes: vele herdrukken volgden en het werd al snel vertaald. De eerste maal dat Don Quichot `uyt de Spaensche in onse Nederlantsche tale’ werd vertaald was in 1657. In later eeuwen volgden eveneens talrijke bewerkingen voor kinderen. In de achttiende eeuw beval Justus van Effen het werk vooral de jeugd aan om de geest te scherpen en het gezond verstand te ontwikkelen. Op de integrale vertaling in het Nederlands van J.W.F. Werumeus Buning en Prof. Dr. C.F.A. van Dam (Querido, 1941) is altijd veel kritiek geweest. Hoe spitsvondig en virtuoos ook, de vertalers interpreteerden te veel, zodat er veel onnodige verschuivingen ten opzichte van het origineel ontstonden en de suggestieve kracht van de brontekst hier en daar verloren gaat. In 1997, het 450-ste geboortejaar van Cervantes, verscheen een nieuwe vertaling in het Nederlands bij uitgeverij Atheneum-Polak & van Gennep (imprint van Querido, 2 delen, vertaald door Barber van de Pol.

De invloed van de tot mythische proporties uitgegroeide figuur Don Quichot op onze cultuur en op andere schrijvers is door de eeuwen heen nooit afgenomen. Een voorbeeld: in Een voortreffelijke ridder (1995, eveneens uitgegeven door Querido) laat Willem Brakman zijn Don Quichot in het 20e-eeuwse Den Haag zijn Dulcinea vinden.
Zie verder ook mijn recensie in het Utrechts Nieuwsblad en essay in Filosofie Magazine over Cervantes en Don Quichot.

Bewaren

Cervantes – recensie vertaling Don Quichot

Vloeiende nieuwe vertaling maakt Don Quichot leesbaarder

In de geest van Cervantes

door Alwin van Ee (verschenen in Utrechts Nieuwsblad, 15-3-1997)

quijote1‘Kiest niet het hazenpad, laffe, verachtelijke schepsels, want het is maar één ridder die u aanvalt,’ roept Don Quichot tijdens zijn strijd tegen de windmolens in de waan dat het reuzen zijn. Zo klinkt deze vaak aangehaalde zin in de nieuwe vertaling van Barber van de Pol, die na vier jaar werk een nieuw literair monument in de Nederlandse taal heeft opgericht. Wie zo’n meesterwerk vertaalt moet zelf over evenveel moed als Don Quichot beschikken, want een leger critici staat klaar om het zwaard te heffen. Duizenden werken zijn er al geschreven over Cervantes en de Quichot is het meest vertaalde boek na de bijbel. De nieuwe Quichot is de vierde integrale vertaling in het Nederlands sinds de verschijning van het origineel in 1605 en 1615 (tweede deel). De eerste vertaling dateert uit 1657, de tweede verscheen pas in 1855, van de hand van de Utrechtse letterlievende advocaat mr. C.L. Schuller tot Peursum. De derde was die 1941 van de Utrechtse hispanist C.F.A. van Dam en de dichter J.W.F. Werumeus Buning. Daarnaast zijn er uiteraard talrijke
bekorte versies geweest, dikwijls geïllustreerd en in de vorm van een kinderboek. Vooral de vertaling van Van Dam en Werumeus Buning heeft de laatste 55 jaar het beeld van de idealistische Don Quichot en zijn aardse schildknaap Sancho Panza in het Nederlandse taalgebied bepaald.

Van Dam (1899-1972) was van 1927 tot maar liefst 1969 (tot 1948 buitengewoon, daarna gewoon) hoogleraar Spaanse taal- en letterkunde aan de Utrechtse universiteit en heeft het gezicht van deze studie in hoge mate bepaald. Hij zette ook de landelijk unieke Spaanse en Portugese bibliotheek op, nog steeds een voorname afdeling van de universitaire letterenbibliotheek. Daar vindt men veel van zijn eigen boeken terug. Zelfs de Spaanse exemplaren van de Quichot die hij voor de vertaling heeft gebruikt, zijn nog aanwezig,
compleet met de talloze aantekeningen die de zeer consciëntieuze Van Dam in de kantlijn maakte.

De vertaling van Van Dam en Werumeus Buning was echter niet zonder kritiek. Hoe spitsvondig en virtuoos ook, de vertalers gingen uiterst vrij te werk en interpreteerden te veel, zodat er onnodige verschuivingen ten opzichte van het origineel ontstonden en de suggestieve kracht van de brontekst hier en daar verloren ging.

Zij gebruikten prachtige ouderwetse, veelal negentiende-eeuwse woorden die we bij Van de Pol niet meer terugvinden, zoals potsbloed! (wordt: Heer aan toe!), hoerebroedsel (wordt: hoerenzoon) en schobberdebonken – tijdens een boerenbruiloft onttrekt lekkerbek Sancho Panza zich aan de ontstaande schermutselingen en ‘schobberdebonkt’ snel een lekker hapje – terwijl Cervantes in het Spaans een heel gewoon, onopvallend woord gebruikt. Veel archaïsche woorden moesten in de nieuwe vertaling sneuvelen om dichter bij het origineel te blijven.
In de loop der eeuwen is de waanzin van Don Quichot, die ontstaan is doordat hij te veel ridderromans heeft gelezen, op allerlei manieren uitgelegd. Zo probeerde men in de negentiende eeuw een tragische held van hem te maken. Bovengenoemde stilistische verschuivingen in de vertaling zijn van grote invloed op ons beeld van Don Quichots waanzin. Immers, zijn gekte wordt afgewisseld met perioden van grote helderheid, maar ook op deze lucide momenten laat Cervantes merken dat we hier toch echt met een komische dwaas te maken hebben, hetzij door een potsierlijke of ironische opmerking van Sancho Panza of andere personages, hetzij door de dolende ridder zelf een vulgaire of ongepaste uitdrukking in de mond te leggen, terwijl hij anders zo literair en verheven spreekt.

Don Quixote (Quijote)De vindingrijkheid en het overdreven doorgevoerde archaïsch taalgebruik leiden er bij Van Dam toe dat eigenlijk iederéén geschift lijkt en het subtiele spel van Cervantes verloren gaat. En dit is nu de grote kracht van de nieuwe, uiterst doordachte vertaling: door de veel grotere getrouwheid aan het origineel komen de verschillende gemoedstoestanden van Don Quichot beter tot zijn recht: zijn donquichotterie steekt scherper af tegen zijn `normalere’ omgeving.

We zien duidelijker wat een groot schrijver Cervantes eigenlijk was. Het Nederlands van Barber van de Pol is veel vloeiender, nauwkeuriger en uiteraard moderner, kortom veel leesbaarder. Meer in de geest van Cervantes dus, die schreef ter verpozing van de lezer, zoals hij in het voorwoord van het eerste deel aangeeft.

De nieuwe uitgave is wederom verluchtigd met de prenten van Gustave Doré. Wat mij betreft had de uitgever deze beter in het archief kunnen laten: de negentiende-eeuwse, enigszins romantiserende interpretatie van Doré past niet bij de veel oudere sfeer van ridderromans en het zeventiende-eeuwse Spanje. En illustraties geven het werk ten onrechte het aanzien van een kinderboek. Bovendien waren de twee kloeke delen zonder de talloze plaatjes wat handzamer geworden dan ze nu zijn.

Wie een boek wil schrijven of vertalen krijgt tegenwoordig zo ongeveer als eerste van zijn uitgever te horen dat voetnoten niet zijn toegestaan. Inderdaad, ze zijn in niet-wetenschappelijke uitgaven al sinds de jaren zeventig geheel uit de mode. Barber van de Pol voert als redenen aan dat Cervantes zelf ook geen noten gebruikte – zijn tijdgenoot Quevedo noemde noten ‘pispotten onder het bed van een boek’ – en dat de Quichot vooral een plezierig leesboek is. Het leesplezier ‘mag niet worden vergald door betweterij of smorende angstvalligheid’. Ik zie echter niet in waarom noten betweterig zouden moeten zijn.

Het is natuurlijk hinderlijk om voortdurend door een boek te moeten bladeren om noten te raadplegen, maar in het geval van de nieuwe vertaling van de Don Quichot waren ze wellicht wel op hun plaats geweest, juist om het leesplezier te verhogen, want er ontgaat veel aan de gemiddelde lezer van deze nieuwe vertaling. En wie ze niet wil lezen, slaat ze maar over.

Van Dam was terecht de mening toegedaan dat voetnoten voor een goed begrip van dergelijke oude teksten noodzakelijk zijn. Hij voegde er dan ook een stuk of zeshonderd toe aan de Quichot. Deze allerminst betweterige noten bieden de lezer telkens een schat aan informatie over de Spaanse taal, geschiedenis, het Spaanse leven van die tijd en de literatuur waar Cervantes zo vaak naar verwijst. De wat stroeve verantwoording van Barber van de Pol biedt de lezer weinig toelichting, maar gelukkig heeft ze aangekondigd een essay over het boek te gaan schrijven.

(verschenen in Utrechts Nieuwsblad, 15-3-1997)

© 1997 Alwin van Ee

Miguel de Cervantes, De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha, vertaald door Barber van de Pol, uitgever Atheneum-Polak & van Gennep, twee delen.

Alwin van Ee studeerde Spaanse taal- en letterkunde in Utrecht.

Cervantes – Don Quichot strijdend tegen de romantiek

Dwaas dolende ridder

Dit essay over de vertaling van de Don Quichot van Cervantes is eerder verschenen in Filosofie Magazine, jaargang 6 nr. 4, mei 1997.

450 jaar na de geboorte van Miguel de Cervantes (1547-1616) wordt de dolende ridder Don Quichot van La Mancha eindelijk bevrijd van zijn geromantiseerde voorstelling. De vernuftige edelman van La Mancha mag, in de nieuwe vertaling van Barber van de Pol, weer gewoon gek zijn in een door en door wrede wereld.

Wie een kunstwerk uit vervlogen tijden beschouwt, kijkt altijd door de bril van de tussenliggende eeuwen. Oudere interpretaties schuiven als een voorzetlens tussen ons en het kunstwerk. Soms kan het nuttig zijn die oudere opvattingen te analyseren om de troebele vernislaag eraf te schrapen. Want troebel kan hij zijn. Zo heeft de negentiende eeuw ons beeld van deze dwaze windmolenbestrijder en zijn aardse schildknaap Sancho Panza ingrijpend beïnvloed.

Daumier - Don Quichot heeft vele gedaanten
Daumier – Don Quichot heeft vele gedaanten

Tot laat in de achttiende eeuw werd het werk algemeen gezien als komisch en amusant, waarin Don Quichot, die zoals bekend, gek is geworden door de lectuur van te veel ridderromans, belachelijk wordt gemaakt en er telkens flink van langs krijgt. Alles wijst erop dat Cervantes de lezer inderdaad louter wilde vermaken met de rare capriolen van de dwaze ridder. Begin negentiende eeuw vond er een verandering plaats: Duitse idealistische filosofen zagen Don Quichot niet meer als de waanzinnige die zijn absurde wereldbeeld verdedigt tegen de rest van de mensheid. Hij werd een heldhaftige strijder tegen de uiterlijke oppervlakkigheid der dingen. Humor werd slechts een instrument om tot de ware betekenis door te dringen.

Schelling, de filosoof van de Duitse romantiek, was toen wellicht de belangrijkste interpreet van de Quichot. In Philosophie der Kunst (1802) ziet hij als centraal thema van de Quichot de strijd tussen realisme en idealisme. Een twintigste-eeuwse Spaanse criticus schreef in het verlengde daarvan dat de alles overkoepelende vraag bij Cervantes luidt: ‘Wat is de aard van de objectieve werkelijkheid?’ Uiteraard zijn dat belangrijke thema’s in de Quichot, maar niets wijst erop dat Cervantes de relatie tussen schijn en wezen als filosofische vraag wil stellen. Hij goochelt voortdurend met de waarheid, brengt vele dubbele bodems aan en nodigt de lezer uit tot literaire spelletjes, maar alleen om zijn parodie op de ridderroman meer kracht bij te zetten en de lezer te amuseren. De Quichot is één groot spel.

Tragische held

Voor de romantici is het boek echter niet een groot spel. Men ging het boek steeds triester vinden, getuige de vaak geciteerde woorden van Byron: ‘Of all tales ‘tis the saddest – and more sad because it makes us smile.’ De romantiek maakte een tragische held van Don Quichot, in zijn tot mislukking gedoemde pogingen het hogere na te streven. Bijgevolg verdween Sancho Panza steeds meer naar de achtergrond: hij werd gedegradeerd tot de spreekbuis van eigenbelang en boerenverstand, terwijl we tegenwoordig het illustere duo veel meer als een onlosmakelijke eenheid beschouwen. De romantiek had dan ook weinig oog voor de toenadering tussen ridder en knecht (Don Quichot gaat in de loop van het verhaal meer op Sancho lijken en omgekeerd).

In het denken van de Romantiek was het niet langer toelaatbaar te lachen om krankzinnigheid. Men zag deze afwijking als een tragische ziekte, een meelijwekkende kwaal, die echter wel tot inzichten kon leiden die voor de rede ontoegankelijk waren. De waanzin maakte de held alleen maar tragischer. Ook in onze eeuw is het niet gepast krankzinnigen uit te lachen, maar dat was in de tijd van Cervantes wel anders. In de vijftiende eeuw werden in Europa de eerste tehuizen voor geestelijk gestoorden opgericht (de oudste in Spanje is dat van Valencia, in 1409), maar dat betekende niet dat men medelijden met deze mensen had: zo mocht het publiek op kermisdagen de binnenplaatsen van zo’n dolhuis op – wel tegen betaling, maar je kreeg er wat voor terug, want je mocht bij de hokken om de gekken te bekijken en te bespotten. En tussendoor kon je bij een koekkraam op krachten komen. Betalende patiënten hoefden deze vernedering niet te ondergaan. Deze drukbezochte dolhuiskermis heeft tot begin negentiende eeuw bestaan.

179_Don_QuichoteNietzsche wijst er in Zur Genealogie der Moral op dat het niet lang geleden is dat volksfeesten en koninklijke bruiloften werden opgeluisterd met een terechtstelling, foltering of ketterverbranding en dat aanzienlijke families altijd wel iemand hadden op wie ze zonder bezwaar hun wrede spotternij konden richten. Nietzsche noemt de hertog en de hertogin uit het tweede deel van de Quichot, die de dolende ridder opzettelijk in geënsceneerde situaties brengen om hem tot krankzinnige daden te verleiden, puur ter vermaak en niet gehinderd door een slecht geweten. Het hertogelijk paar heeft het eerste deel van de Quichot gelezen en is dus uitstekend op de hoogte van zijn waanzin. De lezer mag als het ware door de verborgen camera meekijken en vol genot toezien hoe de dolende ridder erin geluisd wordt. ‘Wir lesen heute den ganzen Don Quixote mit einem bittren Geschmack auf der Zunge,’ zegt Nietzsche. Het is volgens hem bijna een marteling het te moeten lezen en daarmee staat hij ver af van Cervantes’ tijdgenoten, die zich bijna dood lachten om het grappigste aller boeken, zonder last van hun geweten.

Het is dus aannemelijk dat men vóór de romantiek onbekommerd lachte om de vele wrede mishandelingen die ridder en schildknaap ondergaan: een flink pak slaag was komisch, hoe bloederig en pijnlijk ook. Wie er tegenwoordig nog om wil lachen, staat vrij dat te doen. De meeste moderne lezers zullen echter meer plezier beleven aan bijvoorbeeld de virtuoze dialogen tussen Don Quichot en Sancho, die spreekwoord op spreekwoord stapelt, liefst totaal verkeerd gebruikt.

Exotisch

De negentiende-eeuwse interpretatie werkt door in veel twintigste-eeuwse vertalingen. Een mooi voorbeeld hiervan is te vinden in de vertaling uit 1941-1943 van de Utrechtse hoogleraar Spaanse taal- en letterkunde C.F.A. van Dam en de dichter J.W.F. Werumeus Buning. Zij spreken van de Ridder van de Droevige Figuur, een uitdrukking die zelfs van Dale heeft gehaald. In hoofdstuk 19 van het eerste deel gooien een aantal kwaad geworden schaapherders stenen naar het hoofd van Don Quichot: zijn gezicht raakt gehavend en hij verliest wat tanden en kiezen. Daarna verzint Sancho een nieuwe naam voor hem: Caballero de la Triste Figura. Nu kan figura zowel figuur als gezicht betekenen. Sancho zelf maakt echter duidelijk dat het hier om Don Quichots gezicht gaat. Van de Pol maakt er terecht de Ridder met het Droeve Gelaat van, eigenlijk dezelfde uitleg die Thomas Shelton – niet gehinderd door de romantiek – al gaf in zijn Engelse vertaling van 1612: Knight of the Ill-Favoured Face. In de twintigste eeuw vinden we anachronistische vertalingen als Sir Knight of the Sorrowful Figure, wat nog een christelijk tintje geeft aan zijn tragische lijden. Op deze manier wordt de tragische held kunstmatig in leven gehouden.

Rainer-don-quichoteOok in taalgebruik ademt de vertaling van Van Dam de geest van de vorige eeuw: hij put vaak uit een negentiende-eeuws idioom, met soms een neiging naar exotismen (`señor’), die zijn wortels vindt in de romantiek. De romantici probeerden immers aan het smartelijke hier en nu te ontkomen door onder te duiken in het exotische of het verleden, getuige de hernieuwde belangstelling voor historische en ridderromans.

Barber van de Pol heeft geprobeerd Franse woorden van na de Franse tijd (en dus ook negentiende-eeuws ‘gallicismen’) uit haar vertaling te weren. Van ieder Frans woord is ze nagegaan of het al vóór Napoleon werd gebruikt. Zo niet: eruit ermee! Maar helaas, sommige Franse woorden zijn inmiddels zo ingeburgerd dat deze vorm van purisme zinloos wordt als het te ver wordt doorgevoerd. De vertaalster merkte gaandeweg dat ze hier niet al te streng in kon zijn. Maar dat is ook niet nodig. Belangrijker is dat ze erin is geslaagd het negentiende-eeuwse vernis eraf te krabben en veel dichter bij de oorspronkelijke tekst te blijven, zodat de stilistische subtiliteiten van Cervantes en daarmee de waanzin van Don Quichot beter tot uiting komen. Immers, ook op de heldere momenten van ridder laat de schrijver merken dat we hier toch werkelijk met een komische dwaas te maken hebben, hetzij door een potsierlijke of ironische opmerking van Sancho Panza of andere personages, hetzij door de dolende ridder zelf een vulgaire of ongepaste uitdrukking in de mond te leggen, terwijl hij anders zo literair en verheven spreekt.

Veelzeggend is het feit dat Van Dam Gustave Doré (1832-1883) de beste illustrator van de Quichot vond. Ook de pas verschenen nieuwe vertaling is voorzien van alle illustraties die Doré bij het werk van Cervantes maakte. Hoe amusant die platen ook zijn, het blijft één interpretatie en wel een van een zeer anachronistische romantiek. Aanvankelijk beperkt Doré zich tot de folkloristische taferelen, interieurs en de belevenissen van de personages zelf, maar in de loop van het verhaal dringt de romantiek zich op: Don Quichot en Sancho Panza worden verzwolgen door het weelderige, exotische landschap. Ze lossen op in hun omgeving, precies wat de romantici wilden: hun afkeer voor de medemens doet hen troost zoeken in de onbedorven natuur, waarmee ze één trachten te worden, zoals ook Schelling de eenheid van bewustzijn en natuur zocht. Maar Cervantes is geen Zola of Voskuil: in de Quichot staan opmerkelijk weinig beschrijvingen van de omgeving. Cervantes concentreert zich op het verhaal en het landschap en het weer zijn opvallend afwezig. Het regent nooit in de Quichot, merkte Flaubert droog op. (Hij vergist zich: in het eerste deel regent het een keer, namelijk in het beroemde hoofdstuk 21, waarin een barbier tegen de regen een scheerbekken op zijn hoofd zet. Don Quichot denkt daarin de helm van de legendarische Mambrino te herkennen.)

Sterfbed

De Don Quichot van Doré lijkt op de Heilige Hiëronymus, zoals deze bijvoorbeeld door de maniëristen werd voorgesteld: vrijwel altijd als een magere grijsaard met een lange baard. En in het allerlaatste hoofdstuk zien we Don Quichot op zijn sterfbed, omringd door zijn wenende vrienden. Doré maakt er een dramatisch tafereel van: het lijkt een aanbidding van een stervende heilige. Sancho Panza heeft een traan op zijn wang en heeft de blik wanhopig ten hemel gericht. Op de pagina tegenover de illustratie lezen we in de tekst dat er weliswaar ‘deernis en tranen’ waren, maar ‘Het huis was in rep en roer; toch at de nicht, dronk de huishoudster en had Sancho Panza schik, want een erfenis wist of verzacht enigermate de smartelijke herinnering die de dode als het goed is nalaat.’ Het contrast tussen tekst en illustratie werkt op de lachspieren, zo ongeveer als Marten Toonder het opzettelijk doet in zijn Bommelverhalen, maar dat kan toch nooit de bedoeling van Doré zijn geweest.

Goede werken overleven hun interpretaties: ze zijn niet onder één hoedje te vangen. Ter Braak zegt wat stijfjes: ‘De moderne mens herkent iets van zichzelf in […] Don Quichote en daarom lust het hem die personages telkens weer onder het perspectief van zijn eigen “belangen” te zien.’ Dat is dan ook ruimschoots gebeurd in de bijna vier eeuwen dat het boek oud is. Lopen in het verhaal alle strevingen van Don Quichot op niets uit, buiten het boek heeft hij zijn interpretatoren tot nu toe overleefd. Gewoon leesplezier is gelukkig nog (of weer) mogelijk.

© Alwin van Ee studeerde Spaanse taal- en letterkunde. Dit essay over de vertaling van de Don Quichot van Cervantes is eerder verschenen in Filosofie Magazine, jaargang 6 nr. 4, mei 1997)