De route van Don Quichot
door Erik Orendi
illustraties © Dick
van Schaik
Hij was een groot liefhebber van ridderromans en vergat zich zo in zijn lectuur dat
hij alle nachten doorbracht met zijn boeken, van dat de zon onderging totdat zij opging
(...); en van al dit vele lezen en weinig slapen werden de hersenen hem zo dor, dat hij
tenslotte het verstand verloor.
Cervantes, De Geestrijke Ridder Don Quichot van De Mancha
Het naargeestige gebouw van Van Ditmar Import BV lag aan de Oostelijke Handelskade
achter de spoorlijn bij Het IJ. Dagelijks kwamen er van over de hele wereld duizenden
nieuwe boeken binnen. De partijen moesten op uitgever en alfabet gesorteerd worden en
vervolgens met boodschappenwagentjes naar de desbetreffende schappen overgebracht.
Hoewel het enorme magazijn op de bovenste etage was gevestigd, drong er weinig licht door.
's Zomers kon het er drukkend heet en 's winters ijskoud zijn. Meestal stond Frank aan een
lange tafel op wieltjes de partijen boeken met de ruggen omhoog, titel en auteur direct
zichtbaar, op alfabet te zetten. Soms draaide hij een partij afgekeurde boeken door. Alle
exemplaren met een beschadiging op het gladde, nog naar drukinkt ruikende omslag werden
dan in een afvalcontainer gegooid.
Je kon zien dat hij er al jaren werkte; zijn soepele
tred, de licht gebogen schouders, de berustende blik. Hij was niet de enige. Sommige
collega's werkten al tien jaar in het magazijn. Als slaapwandelaars schoven ze tussen de
metershoge boekenschappen door, de armen vooruitgestrekt om de pockets op de juiste plaats
te zetten. Stavinoha tussen Stancu en Steinbeck, Ludlum tussen De Loo en Mendoza. Als het
koffiepauze was, zochten ze elkaar op en zaten het kwartier tot op de seconde uit.
Sommigen zwegen, anderen spraken met elkaar. Het gesprek ging nooit over boeken.
Frank liep echter altijd direct naar de aangrenzende afdeling Verzenden & Factureren,
zette zich achterwaarts met een sprongetje op een paktafel, stak een sigaret op en ging de
krant lezen. Zo deed hij dat elke pauze.
Op een avond werd Frank opgebeld door de Chileense redacteur van een tijdschrift over
Spaanstalige cultuur dat eens een paar reisverhalen van hem had geplaatst. De man deed hem
het voorstel voor dit tijdschrift een reportage te schrijven over een klassieker uit de
wereldliteratuur. Hij moest er voor naar een onbekende streek in Midden-Spanje reizen. De
genoemde klassieker was er een van het kaliber 'iedereen kent hem, niemand heeft hem
gelezen'. Verbouwereerd ging Frank akkoord. Voor het eerst in z'n leven werd hem gevraagd
een verhaal te schrijven. Hij ging direct informatie zoeken over de schrijver en zijn
beroemde boek. De auteur bleek een langere naam te hebben dan gewoonlijk gebezigd wordt -
Miguel de Cervantes Saavedra - en was, opvallend genoeg, veel minder bekend dan zijn
roman. Nog opvallender was dat de faam van de roman op zijn beurt werd overvleugeld door
die van de hoofdpersoon, een edelman uit een dorpje in het midden van Spanje die zich door
een herbergier tot ridder liet slaan en de wijde wereld introk. De edelman had echt
bestaan. Zijn naam was Don Alonso de Quijada. Hij had in het midden van de zestiende eeuw
in het dorpje Esquivias geleefd, ongeveer 35 kilometer onder Madrid. Over hem was echter
weinig meer bekend dan dat zijn vader Juan de Quijada heette en baccalaureus was, dus de
middelbare school had gevolgd. 
Verder was nog de naam van een dorpsgenoot van Don Alonso bekend: Doña Catalina de
Salazar y Palacias y Vozmediano. Doña Catalina behoorde tot de lage adel - althans; dat
beweert Miguel de Cervantes, de man die op 12 december 1584 met haar trouwde, in zijn
later zo beroemd geworden geschriften. Miguel kwam uit Madrid, waar hij zijn eerste
schreden op het schrijverspad had gezet. Hij was negentien jaar ouder dan Catalina. Van
hun huwelijk is slechts bekend dat de al wat op leeftijd komende schoonzoon niet bijster
geliefd was bij de familieleden van zijn vrouw.
Het is misschien maar goed dat die Don Alonso buiten zijn medeweten model heeft gestaan
voor de protagonist van Cervantes' legendarische roman. Zijn achternaam Quijada werd
namelijk verhaspeld tot Quijote, wat in het Spaans 'dijstuk van een harnas' betekent.
Bovendien wordt de uitgang -ote alleen toegepast om iets als lachwekkend of verwerpelijk
voor te stellen. Don Dijstuk. Cervantes noemde zijn roman De geestrijke Ridder Don Quichot
van La Mancha.
Frank liet zich niet ontmoedigen door de omvang van de klassieker die de redacteur hem
als huiswerk had opgegeven (exact zeventienhonderd pagina's) en ging op zoek naar het
boek. Tot zijn verbazing bleken de boekhandels het beroemde werk niet in voorraad te
hebben. Na een lange antiquariatentocht sloeg hij uiteindelijk een gat van 21 centimeter
in de boekenwand van een filiaal van De Slegte. Vier kloeke, gebonden delen met dikke,
zachtgele pagina's die als perkament tussen de vingers schuurden. Hij zag dat de vorige
eigenaar zijn naam in zwierig vulpenschrift voorin had gezet: Henny W. Augustus '42. Het
betrof de 'oorlogsdruk' van uitgeverij Querido, verschenen in 1941. De vertalers, Van Dam
en Werumeus Buning, schotelden in hun verantwoording de argeloze lezer de volgende vraag
voor: 'Waarom moeten wij thans Don Quichot lezen?' Ze geven zelf het antwoord:
Leest hem juist nu, in dagen van beproeving voor ons vaderland. De Quijote immers werd
geschreven in dagen van grooten tegenspoed voor het Spaansche volk.
Frank bezocht bibliotheken op zoek naar verdere gegevens. Eigenaardige studies doken
op. Hij vond een fotoboek met de locaties en kruispunten die Don Quichot destijds had
aangedaan. Een recente studie van ene Luis Ruiz de Vargas beschreef de begaanbaarheid van
het terrein dat de Don op zijn omzwervingen had doorkruist. De man had dit in een tabel
afgezet tegen de tijdsaanduidingen die Cervantes de lezer geeft en vervolgens berekend dat
de schrijver 2555 dagen had gebruikt om een episode van 37 dagen uit het leven van de
ridder te beschrijven, waarin deze negentien dagen onderweg is en 583 kilometer aflegt met
zijn trouwe schildknaap Sancho Panza.
In een knipselmap trof Frank een krantenartikel van recente datum aan, getiteld: 'Brief
van Cervantes komt na vier eeuwen boven'. Het artikel meldde:
In het archief van het Noord-Spaanse stadje Simancas is een brief opgedoken van Miguel
Cervantes, de schrijver van 'Don Quichot'. Het archief bevat 40 miljoen perkamenten,
waarvan 2 miljoen betrekking hebben op de Lage Landen. Deze worden al sinds 1955
onderzocht. De voltreffer: een ontboezeming van Cervantes vanuit de gevangenis van
Sevilla. Daar ontstaat, zoals hij in 1605 schrijft in het voorwoord van Don Quichot, 'dit
werk tussen alle ongemakken die in een kerker hun zitplaats vinden.' De ontdekking van de
brief heeft zo lang op zich laten wachten omdat hij per abuis aan een rapport van de
Spaanse Koninklijke Rekenkamer was toegevoegd. In de brief richt Cervantes zich tot een
onderzoekscommissie in verband met een hem ten laste gelegde verduistering van
belastinggelden. Cervantes verzekert dat hij zich volkomen gerust voelt over de spoedige
opheldering van het misverstand. Korte tijd later is hij vrij om de laatste hand te leggen
aan zijn Don Quichot.
Frank verkeerde maandenlang in het gezelschap van de Quijote en raakte al lezende
steeds meer gefascineerd. Zijn vrienden hadden andere besognes of verborgen hun afgunst
over zijn 'Spaanse snoepreisje'. Ze zagen niet hoezeer hij ernaar verlangde een daad te
stellen. De lispelende redacteur had een stok ver weg gegooid en hij rende er als een hond
achteraan.
Naarmate de dag naderde dat hij zou vertrekken, begonnen de zenuwen sterker op te spelen.
Wat moest hij in godsnaam in z'n eentje in Spanje? Hij vroeg een goede vriendin om hem
naar Schiphol te brengen. Hyperventilerend liet hij zich inchecken. Toen het vliegtuig
loskwam van de startbaan, voelde hij zich een gek die net uit een TBS- inrichting was
ontsnapt. Het onafzienbare plat van La Mancha zou zijn luchtplaats worden.
Het metrostation Cuatro Caminos (Vier Wegen) in de Spaanse hoofdstad maakt z'n naam
waar. Frank belandt er in een duizelingwekkend gangenstelsel. Om op het juiste perron te
komen moet hij vijf lange roltrappen af, die hem elk zo'n twintig meter dieper brengen.
Ingeklemd tussen de spitsuurreizigers voelt hij zich een mijnwerker op weg naar de
ploegendienst. Of is hij al in de Grot van Montesinos? Zuidwaarts gaat het, per spoor naar
Alcázar de San Juan. Direct tegenover het station van dit stadje staat het naar de
onbeantwoorde liefde van Don Quichot, Aldonza Lorenza, vernoemde hotel.
De volgende dag neemt hij de bus naar het nabije Campo de Criptana. La Mancha is hier op
haar platst. De bus rijdt door een kale vlakte met hier en daar een boom. Onverwacht doemt
er een witte heuvel op. Frank stapt uit de bus en klimt naar boven, het dorp in. Hoe hoger
hij klimt, hoe steiler de straatjes en hoe ouder de witte huisjes met hun grove,
ongepleisterde muren. Er wonen zigeuners en er staat een discotheek. Her en der zitten
groepjes jongeren om een voorraad bier verzameld. Auto's scheuren voorbij. Verderop staan
er enkele geparkeerd. De inzittenden genieten van elkaar en van het weidse uitzicht. In
het westen hunkert de gladde, zachte vouw in de vlakte naar het zachtrode hemellichaam dat
boven haar hangt. Als een kosmonaut schuifelt hij over een vreemde, opbollende duin waar
naast een aantal rotsen liefst tien spierwitte molens tegen een onpeilbare atmosfeer
afsteken. De molens zijn de enige bakens in het licht golvende maanlandschap. Daardoor
lijken ze veel groter dan ze in werkelijkheid zijn. En Frank voelt zich toch al zo klein.
Het is zaterdagavond, iedereen lijkt zich te vermaken en hij komt hier maar net kijken.
José Luis is lang en slank voor een Spanjaard. Hij woont zijn hele leven al in Campo
de Criptana. Zeven dagen per week staat hij in een tot Oficina de Turismo omgedoopte
molen, een van de tien op de Cerro de la Paz. Vanavond ontvangt hij Frank in zijn molen.
Ze raken in discussie over de feitelijke woonplaats van Don Quichot. José Luis houdt het
op zijn eigen dorp. Frank is het niet met hem eens. De onverschrokken ridder maakt in het
verhaal over de windmolens immers de indruk nooit eerder geconfronteerd te zijn met deze
nieuwerwetse bouwsels. Hij moet daarom haast wel uit een andere plaats afkomstig geweest
zijn. Toen Cervantes zijn roman schreef, waren de eerste windmolens net vanuit de Lage
Landen in La Mancha ingevoerd.
De blik van José Luis dwaalt af naar de toegangsweg en automatisch kijkt Frank over
zijn schouders mee. Een glimmende touringcar arriveert, het portier schuift geruisloos
open en tientallen toeristen zwermen uit over de heuvel. Als ze klaar zijn met
fotograferen, komen ze op de molen van José Luis af en stellen zich op rond het oude
ansichtkaartenmolentje, dat knarsend rond zijn as draait. Op de kaarten staan molens. In
een van die molens staan zij zelf.
Om de discussie voort te kunnen zetten maakt Frank een afspraak met José Luis en neemt
z'n intrek in een door hem aanbevolen pension.
In de daaropvolgende dagen leert Frank José Luis kennen als de perfecte stranger-handler,
niet alleen van beroep, maar ook door zijn sociale positie in het dorp. Hij is dertig
jaar, heeft een gezonde blos en straalt het jeugdige enthousiasme van de vrijgezel uit.
Als ze 's avonds over de smalle trottoirs van de dorpsstraten naar zijn favoriete bar
lopen, leest Frank op zijn licht gekromde rug de tekst Urban Cowboy. De terlenka broek
hangt hem ruim om de lange benen. Dat past beter bij zijn aristocratisch voorkomen. Prins
Charles in polojack. In de schouwburg annex bioscoop heeft José Luis zijn tweede emplooi,
als filmoperateur. Wekelijks ziet hij er de nieuwste films. Misschien verklaart dit het
feit dat hij er nooit toe gekomen is de Quijote te lezen. Hij is overigens lang niet de
enige Spanjaard die Cervantes meesterwerk nooit las.
De bekendste plaats uit de Don Quichot is El Toboso. Dulcinea, de dame waar de Don zijn
daden aan opdroeg, woonde hier. Er gaat slechts een bus per dag naar het dorp. Het lijkt
Frank daarom een goed idee om de tweede Nederlandse wondermachine na de molen - de fiets -
in te zetten. In Spanje een fiets huren blijkt echter even onmogelijk als een tractor
huren in het centrum van Amsterdam. Na enig rondvragen vindt hij een fietsenmaker die zo
vriendelijk is hem een tweewieler mee te geven. José Luis reageert verbaasd als Frank
trots zijn zojuist opgehaalde vervoermiddel laat zien. Moet de señor daarmee naar het
twintig kilometer verderop gelegen dorp? Ja, slikt de señor dapper, La Mancha is toch zo
plat als een pannenkoek? José Luis kijkt bedenkelijk. Misschien met reden: de wieltjes
zijn niet veel groter dan die van een autoped en het frame-met-lage-instap lijkt bedoeld
voor kinderen. Onbedoeld treedt Frank zo in de voetsporen van Sancho Panza, wiens ezel
moeite had gelijk op te gaan met het paard van zijn meester.
Na twee uur fietsen over het onafzienbare valse plat van La Mancha waant Frank zich een
muis in een tredmolen. De pedalen malen maar het doel komt niet dichterbij. Hij is op weg
naar de woonstede van de zestiende-eeuwse dame die model stond voor een romanfiguur die
dermate imaginair is, dat zij slechts als muze bezongen in het boek voorkomt. Op het
heuglijke uur dat Don Quichot eindelijk het dorp van zijn platonische liefde bereikte,
stak zijn hoofd extra in de wolken. Hij werd begroet door balkende ezels, knorrende
varkens en miauwende katten... Don Quichot trok eropuit om onrecht te herstellen, misbruik
uit te roeien en schulden te vereffenen. Zoals het een goed ridder betaamde, koos hij een
mooie vrouw uit om zijn toekomstige heldendaden aan te wijden: Aldonza Lorenza. Hij gaf
haar een naam die niet al te zeer bij de zijne afstak en die deed denken aan een prinses
of hooggeboren vrouwe: Dulcinea van El Toboso. Aldonza Lorenza lijkt echt bestaan te
hebben. Een knappe boerenmeid aan wie Cervantes ooit zijn hart had verpand. Zij heeft daar
overigens, naar beweerd wordt, nooit weet of last van gehad. Waarschijnlijk was ze van
islamitische afkomst. Later onderzoek wees namelijk uit dat El Toboso ten tijde van
Cervantes nagenoeg volledig Moors was. Welke man valt er niet voor de grote, donkere
kijkers van een exotische morisca? Vandaag doet Frank wat Cervantes wellicht wel, maar Don
Quichot nooit gelukt is. Hij gaat op bezoek bij Dulcinea. Volgens de berichten moet haar
huis er nog staan.
Het is stil als hij El Toboso binnenrijdt. Zomaar een dorp met lage witte huizen aan
stoffige straten in zomaar een streek in Spanje. Het kerkplein is angstvallig netjes
betegeld en wordt slechts ontregeld door een met kettingen afgezet plateau, waarop een
plaatselijke kunstenaar twee figuren van asgrauw gietijzer heeft geplaatst.
Als hij naar het Casa-Museo de Dulcinea fietst, verschijnen korte citaten uit de Quijote
als literaire graffiti op de muren van enkele huizen. In de poort van een van de huizen
staat een gedrongen man in een blauwe koetsiersjas. Frank peddelt nog even door en belandt
op een zandweg. Dulcinea, waar zijt gij? Hij plaatst z'n kinderfietsje bijna beschaamd
tegen de ruwe muur van een kolossaal huis, dat in z'n Castiliaanse soberheid echter
nauwelijks opvalt in de straat. Haar naam is niet bij de deur vermeld. De man in de
koetsiersjas staat er nog en knikt naar hem. Frank vraagt of Dulcinea hier woont. Naar
goede Spaanse gewoonte houden ze elkaar vervolgens een kwartier aan de praat. Dan laat de
suppoost hem binnen in een soort boerendeel. Het is er koel en donker na het volle
zonlicht buiten. Hij schrikt zich wild als plotseling vanuit een hoek een krakerig ¡buenos
días! klinkt. Achter een tafeltje met toegangsbiljetten zit een popperig vrouwtje te
breien. Ze kijkt hem aandachtig aan, neemt z'n muntstuk in ontvangst, staat op en vraagt
hem vriendelijk met haar op te lopen naar het belendende vertrek. Hij zucht onhoorbaar en
volgt gedwee. Schoon is zij niet. Is zij dan nog niet onttoverd? 
Zij laat hem haar keuken zien, een enorm vertrek met dieprode vloertegels en wit
gepleisterde muren, waaraan enkele wijnkruiken hangen. Hier kookte zij. In de haard hangt
een zwarte kookpot boven een paar knoestige wijnstokstronken. Overal in La Mancha zie je
die stronken in gekmakende monotonie uit de bruinrode akkers steken. Als de kraaien van
Van Gogh. Naast de haard staan een wieg, een peuterrekje en een kinderstoel. Hier groeide
zij op. Ze lopen nog even de bijkeuken in waar enorme, vrouwshoge wijnkruiken staan,
tinajas, die al in Cervantes' tijd faam genoten. Al staan de kruiken reeds eeuwen droog,
Frank raakt allengs in een spirituele bui en waagt het op te merken dat de vrouw des
huizes vast van een slokje hield. Ze knikt beleefd en loopt terug naar haar breiwerkje,
waar haar zogenaamde echtgenoot in z'n potsierlijke jas hem staat op te wachten. Ruw wordt
Frank van haar gescheiden - of hij nu hem maar wil volgen, de trap op. Hier sliep zij. Hij
ziet een handgemaakt ledikant, een zogenaamde twijfelaar. Verder is het vertrek leeg, op
een geitenleren reiskoffer na - handig door z'n geringe gewicht, wordt hem verteld.
Hij dringt zich niet verder aan haar op, gelijk Don Quichot het liet bij woorden en
smachtende uitroepen (en een brief, die zijn schildknaap echter vergat af te geven). Hij
neemt afscheid van de man met de blauwe jas en stapt op zijn fiets.
Het Centro Cervantino ligt twee straten verderop en is op verzoek te bezichtigen. De
sleutel wordt bewaard in het gemeentehuis. Een welgemutste man escorteert Frank naar een
klein museum om de hoek. Hij is politieagent. Hij opent de deur en doet het licht aan in
een zaaltje met vitrines. Onder het schoongepoetste glas ligt de stoffelijke nalatenschap
van Miguel de Cervantes in de vorm van diverse Spaanse edities van de Quijote, teruggaand
tot de zestiende eeuw, plus dertig verschillende vertalingen. Veel landen waren zo
vriendelijk Spanje hun vertaling van de Quijote te schenken, getuige de verzameling
indrukwekkend bestempelde en ondertekende brieven. Behulpzaam wijst de agent hem op een
Duitse Don Kijchote uit 1933. Op het titelblad staat de krabbel van een zekere
rijkskanselier. Hitler.
In gedachten verzonken loopt Frank de straat op. Ook die oorlog heeft de Ridder van de
Droevige Figuur overleefd. Hij verloor zich in ridderromans, trok ten strijde, onttrok
zich bijna aan de macht van zijn geestesvader, maar kwam tot inkeer en genas van zijn
gekte. Een gekte zo aanstekelijk dat Frank tweeduizend kilometer vliegt, drie uur treint
en twee uur fietst om een stip op de landkaart te bezoeken. Waar hij zich, gezeten aan de
grote 'tafel van Cervantes', met een ganzenveer in de hand laat fotograferen tegen de
achtergrond van Hitlers signatuur. Waar wellicht eens de vijfenvijftigjarige Cervantes een
knappe Moorse meid ontmoette, niet wetende dat zij zou uitgroeien tot een rijpe vrouw,
moeder van alle Onbereikbare Teder Beminden.
De herberg waar Don Quichot zich in het derde hoofdstuk van het boek door een herbergier
'op dwaze wijze tot ridder deed slaan', is tegenwoordig een gerenommeerd restaurant. Het
ligt 35 kilometer ten westen van Campo de Criptana, in Puerto Lapice. De tweebaansweg naar
Puerto Lapice strekt zich 25 kilometer lang als een landingsbaan uit tussen de eindeloze
akkers. Het is lente. Op sommige plaatsen kruipt al wat groen uit de roodbruine aarde of
springen loten uit de stramme viñas. Het is moeilijk te geloven dat zo'n stronkje
in oktober zal zuchten onder het gewicht van enige kilo's rijpe druiven. De eerste Moren
die door dit land trokken, noemden het Al Mansha, het droge land. Al een half uur ziet
Frank af en toe een kerktoren aan de horizon opduiken. Het lijkt alsof hij stilstaat. Ook
de tijd lijkt stil te staan. De nog koele lentelucht hangt zacht en stil op het veld als
een enorme, doorzichtige ballon waarin de zon haar stralen prikt. De ballon zwelt langzaam
op tot voorbij het uur dat de zon op z'n hoogst staat, om warm en kalm over de golvende
akkers te blijven schommelen tot de siësta aanbreekt. Het enige wat de kaarsrechte
monotonie van de asfaltweg onderbreekt, is de subtiele golving van het landschap. Soms
blijft het zicht beperkt tot honderd meter, dan vermenigvuldigt het zich tot zeven of tien
kilometer. Zelfs een bewoner van 'het vlakke land' overvalt dan een vorm van pleinvrees.
Hier, in dit landschap zonder referentiepunten, verkrijgt men zijn ware dimensie. Een
bocht in de weg om een heuse heuvel heen, waarop zo uit de verte te zien een paar molens
staan. Dan onder de snelweg door en Frank fietst het dorpje Puerto Lapice binnen dat,
handig voor de automobilist, onder de rook van de snelweg tussen Madrid en het zuiden
ligt. Op de parkeerplaats van de Venta de Don Quijote staat een mannetje met drukke
gebaren de aankomende auto's te dirigeren. Zijn hoofd en nek lopen rood aan. Hij wil wel
kwijt dat dit de echte herberg is waar Don Quichot echt werd geridderd en dat het gebouw
echt vierhonderd jaar oud is. Frank stalt zijn rijwiel onder een raam waarvoor het type
sierhek is bevestigd dat overal in Spanje maagden beschermt tegen Don Juan en zijn maten.
Handig om een fiets aan vast te zetten. In de poort van de herberg staat een houten bord
met de menukaart. De prijzen liegen er niet om. De zonnige binnenplaats wordt geflankeerd
door een galerij waarop met linnen gedekte tafels staan, aangezeten door een beschaafd
publiek uit binnen- en buitenland. Obers snelwandelen af en aan. Frank laat zich naar een
eetzaal dirigeren. Op het menu staan alleen gerechten die in de Quijote genoemd en
genuttigd worden. Overigens zelden door Quichot en Panza, die weinig geld hadden en altijd
net de schranspartijen misliepen - tot groot verdriet van de schildknaap.
Frank bestelt een Caldo de Abuela (Grootmoeders Soep) en een Ensalada Tirteafuera. Die
naam komt in het boek voor als plaatsnaam; Cervantes hield van een woordgrapje, want
letterlijk betekent Tirteafuera 'maak dat je wegkomt!' Frank besluit daar spoedig gevolg
aan te geven, want hoe goed de gerechten ook smaakten, de rekening is voor een
rondtrekkende fietser aan de hoge kant.
Frank neemt z'n intrek in een pension in het plaatsje Ruidera. Recht
tegenover het raam van zijn kamer staat een kerk. De klok slaat elk heel uur de slagen van
het uur en luidt elk half uur een slag. Vreemd is echter dat de klok de slagen van het
hele uur steeds tweemaal over het dorpje laat klinken. In de tussenliggende tijdsspanne
van anderhalve minuut lijkt de dorpsrust nog nadrukkelijker dan gewoonlijk. Ruidera is de
enige plaats ter wereld die de tijd elk uur even stilzet om zich in visioenen te
verliezen.
Misschien houdt de wat troosteloos klinkende klok verband met de nabijheid van een
vijftiental lagunes, die op nooit geheel verklaarde wijze zowel boven- als ondergronds met
elkaar in verbinding staan. Het gebeier zou dan het sein voor een imaginair schip zijn om
uit te varen over de mysterieuze rivier de Guadiana, die in de lagunes ontspringt, maar
bij het dorp Argamasilla de Alba spoorloos verdwijnt om pas vijftig kilometer westwaarts
weer op te duiken en, flink gezwollen, door Portugal naar de Atlantische Oceaan te
stromen. Misschien was zij een verleidelijke Sirene voor Don Quichot, op weg naar de Grot
van Montesinos na zijn krankzinnige avonturen met de door Sancho Panza betoverde Dulcinea,
een begrafenisstoet en de Ridder van de Spiegels.
Het oudere echtpaar van pension Patio is zo vriendelijk Frank een Vespino-brommer te
lenen. Na enig zoeken geraakt Frank op een stille weg door ruig terrein. Daar staat het,
duidelijk aangegeven: Cueva de Montesinos. Voor alle duidelijkheid een splinternieuw
bordje Centro de Recepción ernaast. Dat belooft wat. Maar vooralsnog hobbelt z'n brommer
over een pad vol keien en kuilen omlaag naar een volgend bordje, waarop in dikke, zwarte
hoofdletters de volgende tekst: 'Een vrijwillige gids stelt zich kosteloos en vrijwillig
beschikbaar om de grot te bezoeken. Het staat hen die geen gids willen vrij de grot te
bezoeken zonder gids. De grot is vrij toegankelijk, alleen is er geen licht. De gids
beschikt over lantarens. De gids is niet aansprakelijk voor ongevallen. Weest voorzichtig
bij de afdaling. Gelieve deze mededeling te lezen. Ossa de Montielgids: Angel Gomez.'
Achter dit bordje duikt de rotsige grond steil omlaag in een forse spelonk. Langs de rand
groeien wat geurige rozemarijnstruikjes. Vanuit een bosje verderop verschijnt een oudere
man, kennelijk de auteur van de in zwarte hoofdletters gestelde tekst. Hij is in de
zestig, heeft een bruin, gelooid gezicht en loopt op versleten gymschoenen. Hij biedt
Frank een sigaret aan. Ze roken en praten wat. Er verschijnen nog een paar bezoekers. Dan
haalt de gids vier grote zaklampen tevoorschijn en begint de afdaling. De spelonk vormt de
toegang tot de dankzij de Quijote zo beroemd geworden Grot van Montesinos. Toen Don
Quichot en Sancho Panza bij de grot aankwamen, zei Don Quichot dat hij wilde weten hoe zij
eruitzag, al was de grot zo diep als de helse afgrond. Daarom kochten zij 'zowat honderd
vadem touw, en de volgende dag om twee uur 's middags bereikten zij de grot (...) en sloeg
hij de hand aan het zwaard en begon het struikgewas aan de mond van de grot kort en klein
te slaan, op welk rumoer en leven daaruit ontelbare grote raven en gaaien opvlogen, zo
snel en dicht dat zij Don Quichot tegen de grond wierpen; en ware hij even bijgelovig als
katholiek christen, hij zou het als een slecht voorteken hebben beschouwd.' Vierhonderd
jaar later dalen, verbonden door een onzichtbaar touw, een tanige Spaanse gids, een jong
stel uit Granada en een Amsterdammer in de aardedonkere grot af. Lichtbundels schieten
langs de glimmende wanden. Frank moet oppassen niet uit te glijden of het hoofd te stoten,
want de hoogte van de gangen wisselt voortdurend. 'Hier zien jullie het gezicht van
Cervantes!' roept de gids, wijzend op een rots die met de op deze beroemde plek vanzelf
opwellende fantasie wel iets van een gezicht heeft. Een meertje, misschien een
ondergrondse lagune, duikt op. 'Daar onder water zie je een steen in de vorm van een
krokodil met geopende kaken,' wijst de gids. De grottenveteraan zet er vaart in.
Frank raakt wat buiten adem en moet bovendien een lichte claustrofobie onderdrukken.
Gelukkig stokt zijn woordenstroom zelden. In de inktzwarte duisternis van de grot vullen
de krochten van Franks hersenpan zich met vurig gestemde verhalen over de avonturen die
Don Quichot hier beleefde. Hij verstaat slechts de helft van 's gids woorden, maar de
verbeelding vult meer dan voldoende aan. Weer bovengronds schijnt de zon nog even fel,
kwetteren de vogels nog even hard en ruikt de rozemarijn nog net zo lekker als daarnet.
Alles is nog hetzelfde. In de verte hoort Frank de ijle klanken van een kerkklok die twee
keer slaat. Als het die van Ruidera is, kan het net zo goed een uur zijn.
Zwaar vrachtverkeer dendert rakelings langs de gevels van het lintdorp. Frank heeft de
brommer voor een bus van de streekdienst verruild en rijdt Argamasilla de Alba binnen,
naar hij heeft gelezen het Mekka van de Cervantes-vereerders. Twee kilometer verder, aan
de andere kant van de bebouwde kom, is het busstation. Hij zeult met z'n bagage terug naar
het centrum en stapt een bar in om naar goedkoop logies te vragen. De kamer in pension
Torres is schoon en beschikt over een wastafel en een vriendelijk uitzicht. Helaas
ontbreekt een schrijftafel, maar de barkeeper laat hem beneden in de eetzaal achter de bar
plaatsnemen. Buiten etenstijden kan Frank er rustig werken.
In 1905 vierde Spanje het feit dat driehonderd jaar tevoren het eerste deel van de Don
Quichot uitkwam. De schrijver Azorín volgde de voetsporen van Don Quichot en schreef er
een serie artikelen over. Naast Azorín publiceerde ook Miguel de Unanumo een gedenkboek.
Beide auteurs interpreteren de Quijote op hun manier.
Bij het beroemde verhaal van de windmolens bedient Unanumo zich van een originele omkering
van het perspectief: '(...) Het was niet Don Quichot die zich vergiste door de molens voor
monsterlijke reuzen (van oprukkende technologie) aan te zien, maar het was Sancho Panza
die zichzelf voor de gek hield door zijn angst voor die technologie te negeren en, met
ons, slechts windmolens te zien in de ellendige reuzen die wederrechtelijk kwaad zaaien
over de wereld. Die windmolens maalden voor brood: het brood waarvan zij eten die met
verhardheid blind zijn. Nu nemen zij voor ons niet langer de gestalte aan van windmolens,
maar van locomotieven, dynamo's, turbines, stoomschepen, auto's en mitrailleurs, maar
allen vormen een conspiratie tot kwaad.'
Het is nog in de voormiddag. Frank verlaat z'n kamer op zoek naar een gelegenheid om wat
te eten. Tegenover de kerk trekt een ruim café met mooi betegelde ingang zijn aandacht.
Hij bestelt koffie en vraagt de barkeeper of, eh..., Don Quichot hier misschien ooit is
gesignaleerd. De man kan die vraag niet met zekerheid beantwoorden, maar daar verderop aan
de bar staat toevallig de dochter van de plaatselijke Cervantes-kenner... Ontspannen staan
ze enkele meters van hem vandaan een kop koffie te drinken, twee jonge vrouwen van in de
dertig. De blonde heeft een typisch mediterraan, gedrongen lichaam met een jongensachtige
uitstraling. De ander is donker en frêle en heeft een fijn gezicht en kastanjebruin haar.
Het geeft haar iets noordelijkers, Zuid-Frankrijk misschien. Naast haar staat een reistas
op de grond. Ana, want zo heet ze, is zojuist terug van een vakantie op Mallorca. Haar
vriendin heeft op haar woning gepast en ze staan net bij te praten.
Te mooi om toeval te zijn. Ana en Frank zijn beiden een uur geleden in Argamasilla
aangekomen, misschien wel met dezelfde bus. Ze stapten uit, zij sloeg een hoek om en hij
ging op zoek naar een hotel. De broeierige stilte, de beklemmende leegheid van dit 'My
name is nobody'- dorp krijgt geen kans nu de vriendelijke barkeeper hem de aantrekkelijke
dochter van de plaatselijke Cervantes-kenner aanwijst. De tijd heeft hem al ingehaald,
uitschietend ver weg boven de knellende alledaagsheid. Wèg is de gemoedelijke
mannen-onder-elkaar toon waarmee hij de barkeeper had aangesproken, wèg is de stilte in
zijn hoofd - me llamo Frank, de Holanda.
Hij loopt op de twee vrouwen af. Met een stijf gezicht maakt hij de reden van zijn komst
naar La Mancha kenbaar. Hij hoort zichzelf iets zeggen over de 'route van Don Quichot',
alsof hij een uit het hoofd geleerd lesje opdreunt. Vijf minuten later loopt hij
zenuwachtig op straat, geflankeerd door de twee dames. Of hij meegaat een hapje eten. Het
is tenslotte etenstijd. Ana blijkt aan de hoofdweg van het dorp te wonen. Binnen
verontschuldigt zij zich voor de rommel, ze moet nog uitpakken. Haar blonde vriendin leidt
Franks aandacht af door hem het huis te laten zien.
De maaltijd bestaat uit een salade met maïs en vis, een gebakken ei en een regionaal
gerecht, pisto manchego, een pikant mengsel van ondermeer tomaat, pepers en knoflook dat
al baño Maria bereid wordt. Ze praten over Nederland, La Mancha, Cervantes en Ana's
vader, de heer Juan Alfonso Padilla. Hij is 78 jaar en zwak van gezondheid, maar hoopt nog
een lijvige studie te publiceren, waarin hij tracht aan te tonen dat de grote concurrent
van Cervantes destijds, Avellaneda, uit Argamasilla afkomstig was. Achter het pseudoniem
Avellaneda hield zich een mysterieuze figuur schuil die Cervantes de schrik op het lijf
joeg door onverwachts en eigenhandig een vervolg op het eerste deel van de Quijote te
publiceren.
Na het eten vergezelt Ana Frank naar de elektrawinkel van een dorpsgenoot die de avonturen
van de Geestrijke Ridder eveneens na aan het hart gaan. Daar staat hij onvoorbereid oog in
oog met José Díaz-Pintado Carretón, secretaris van Los Académicos de Argamasilla, een
illuster gezelschap van plaatselijke Quijote-kenners waarvan de voorgangers al ten tijde
van Cervantes bijeenkwamen. De schrijver vermeldde ze zelfs in een epitaaf aan het slot
van de Quijote - beter gezegd: stak de draak met hen. De eeuwen daarna werd de vereniging
vele malen heropgericht. Momenteel telt zij zo'n vijftig leden, vertelt señor Carretón
hem met overdonderend enthousiasme tussen de wekkerradio's, strijkbouten en batterijen.
De Académicos komen viermaal per jaar bijeen in een juicio crítico, een tribunaal
in de vorm van een rechtszitting waarin nieuwe leden kunnen toetreden. De aspirant-leden
zijn verplicht een these over een of ander onderwerp uit de Don Quichot te schrijven en
die aan vraag en wedervraag te onderwerpen tijdens de acto, bestaand uit drie
conferencias. Daarnaast vindt jaarlijks een literaire salon plaats op de sterfdag van
Cervantes, 23 april - tevens Landelijke Boekendag in Spanje. Na afloop begeeft het
gezelschap zich naar een plaatselijk restaurant, waar de polemiek zich meer ongedwongen
voortzet tijdens een onvervalst manchego diner.
Hoewel de feiten het aannemelijker maken dat Cervantes de figuur van zijn beroemde ridder
baseerde op de eerdergenoemde Don Alonso de Quijada uit Esquivias (in de provincie
Toledo), houden de Academicos de Argamasilla vol dat de schrijver zich inspireerde op een
zekere Don Rodrigo de Pacheco. Deze woonde in Argamasilla. Hij was net als Don Quichot
vrijgezel en hij woonde samen met zijn nicht en zijn huishoudster. Het belangrijkste
bewijsstuk voor deze stelling hangt in de plaatselijke kerk, beweert José 'Pepe'
Carretón. Of Frank het wil zien? 'Son las ocho, son las ocho,' piept plotseling een
mechanisch stemmetje uit een wekkerradio in de etalage. Acht uur dus en dat komt goed uit
want dan loopt de mis af, zegt Carretón.
De Académico sluit zijn winkel af met een rolhek en vergezelt Frank naar de kerk. Ze
wachten even met gevouwen handen tot de hostie is uitgedeeld. Carretón slaat een kruis en
leidt hem vervolgens naar een groot schilderij dat in de voormalige kapel van een rijke
familie hangt. Een schilderij in de stijl van El Greco, maar van de hand van Don Rodrigo
de Pacheco, de genoemde tijdgenoot van Cervantes. Hij schonk het indertijd aan de kerk uit
blijdschap om zijn genezing van 'een hevige aandoening die tot een sterke onderkoeling van
de hersenen had geleid'. Hij heeft zichzelf afgebeeld, de maagd Maria aanroepende. Volgens
de Académicos vertoont zijn uiterlijk een opvallende gelijkenis met dat van Don Quichot.
Die had inderdaad ook iets aan z'n hersenen, maar onderkoeling lijkt gezien het volgende
citaat uit de eerste bladzijden van de Quijote uitgesloten: 'Onderwijl reed hij zo
langzaam voort en de zon steeg zo snel en scheen zo heet dat zij hem best de hersenen had
kunnen doen smelten, als hij ze gehad had.' Ze verlaten de kerk, Frank neemt afscheid van
de winkelier en loopt naar zijn pension in de Calle Solana.
De volgende middag ontmoet hij Ana en haar vriendin in een, gezien het agrarische
karakter van het dorp, opvallend modern café. Ana heeft een boek over streekgeschiedenis
voor hem meegebracht van de hand van haar vader. Hij voelt zich erg vereerd.
Ana vertelt als psychologe bij de gemeente te werken. Hij kan haar leeftijd moeilijk
schatten. Ongeveer 37, denkt hij. Hij heeft het zo druk de juiste Spaanse bewoordingen te
vinden dat hij de aandachtige twinkeling in haar ogen niet ziet. Bovendien is zijn hoofd
nog gebogen over boeken, de gedachten vol van alle actie daarin gelezen.
Terug op zijn pensionkamer slaat Frank het boek van Ana's vader open. Het bevat een
hoofdstuk over Cervantes. Opgewonden tracht hij het Spaans te begrijpen. Cervantes
verbleef rond 1602 in Argamasilla om belastingaccijnzen te innen voor koning Philips II,
die hard geld nodig had voor zijn 'onoverwinnelijke' Armada. Hij verbleef bij de eerder
genoemde Don Rodrigo de Pacheco, die tevens een niet onaantrekkelijke nicht in huis had.
Cervantes raakt op haar verliefd, maar het verhaal vertelt niet of zij op zijn avances
inging. Wèl dat oomlief niet gediend was van de verlangens van de
schrijver-belastinginner.
De toenmalige burgemeester had nog minder op met het geflikflooi van Cervantes, of het nu
de belastingcenten of de nicht betrof. De toen nog vrij onbekende schrijver werd opgepakt
en in een geïmproviseerde cel gezet, een kelder onder het Casa de Medrano, waarvan in het
boek een zwartwit fotootje is afgedrukt. 'Monumento Historico-Artistico Nacional' staat
erbij vermeld: een wit, robuust Castilliaans huis met een grote poort en ramen als
schietgaten.
Toen plaatselijke intellectuelen van de opsluiting vernamen, dienden ze verontwaardigd een
protest in tegen het opsluiten van 'niemand minder dan de auteur van de Quijote,' zo
citeert Padilla. Hij voegt daar echter zelf onverschrokken aan toe: 'Maar Cervantes had
noch de Quijote geschreven, noch iets anders nieuws. Pas hier, in gevangenschap, schreef
hij het eerste deel van het beroemde boek.' Cervantes, die tijdens een eerder doorgemaakt
krijgsgevangenschap gewend was geraakt aan kerkers en krochten, voelde zich in de kelder
onder het Casa de Medrano dus zodanig op z'n gemak dat hij bij het spaarzame licht van een
gat in het plafond in een paar dagen een briljante roman van zevenhonderd bladzijden kon
schrijven.
Frank loopt na de siësta bij Ana's huis langs. Ze is thuis van haar werk en ze praten
wat. Tegen de avond lopen ze naar een bar waar ze haar vrienden ontmoeten. De stemming
komt er goed in en als het gezelschap besluit de avond elders voort te zetten, wordt hij
meegevraagd. Ze vertrekken richting Tomelloso, een provinciestadje waar wereldser vertier
wacht. In de eerste bar die ze aandoen, wordt tot zijn verbazing een plaat van de
Californische groep Green On Red op de draaitafel gelegd. De melancholieke country &
western over loners, verloren liefdes en een broken radio laat zich
moeiteloos overbrengen naar La Mancha. De jongeman achter de bar steekt opeens de brand in
een likeurtje zodat de glaasjes bijna springen van de blauwgele vlammen. Er is iemand
jarig. Frank praat honderduit met iedereen die in z'n buurt staat en voelt zich de minuut
beter. Dan de disco. Deze heeft meer weg van een hangar of ongebruikt tuincentrum. Het dak
is van golfplaat, overal staat tuinmeubilair opgesteld om zich te verpozen en de dansvloer
bestaat uit grijze graniettegels. Het overwegend jonge publiek beweegt zich wat onhandig
op dit gestileerde schoolplein. De deejay is er nog niet in geslaagd de kalme manchegos
in vervoering te brengen. Ze houden zich op hun spreekwoordelijke vlakte, de zonen en
dochters van de wijnboeren.
Het groepje rond Ana en Frank is wat ouder en minder geremd. Ana danst zich in het zweet
en begint na een half uur wat aan Frank te hangen. Ze ruikt lekker en heeft een slank en
soepel lijf. Eindelijk denkt hij eens niet meer aan z'n verhaal.
Op de terugweg zit Frank naast de bestuurster, een mollige geblondeerde vriendin van
Ana. Ze praat druk, zoals het een Spaanse betaamt, zelfs in dit nachtelijk uur. Ana zit
alleen op de achterbank. Moe, voldaan en wat aangeschoten leunt hij onderuit in z'n stoel
en laat z'n achterhoofd tegen de hoofdsteun rusten. De schijnwerpers voor hem priemen hun
lichtbundels op het asfalt. Af en toe hoort hij Ana achterin iets instemmends mompelen.
Dan slaat ze haar handen om de hoofdsteun waartegen zijn hoofd rust. Er begint iets te
tintelen in z'n tenen en op z'n slapen, een wolk van opwinding slaat neer in de
voortsnellende kooi. Zachtjes strijkt ze door z'n haar. Hij hoort haar diep ademen en
neigt z'n hoofd naar links. Voordat hij iets kan zien, dringt haar hete tong tussen z'n
lippen, tussen z'n tanden. Ze suizen met vastgeklonken monden zeker een kilometer voort.
Duizelig van genot proeft hij de lippen die half achter hem steeds weer gloeiend opengaan.
Hij ziet niets, ruikt haar nauwelijks, hoort haar slechts zuchten, maar voelt, voelt,
voelt zijn hongerige mond als nooit tevoren. Bloed dendert van hart naar mond en terug als
een waterval, terwijl ze rijden, in de nacht, wild en zacht.
Ze worden voor haar deur afgezet. De hoofdstraat ligt er verlaten bij. Zij pakt haar
huissleutel en laat hem binnen. Ze zeggen weinig, alleen iets over una noche. Boven
omhelzen ze elkaar bij het schijnsel van de straatlantarens. Met haar armen om z'n nek
springt ze tegen hem op en slaat haar benen om zijn dijen. Het kruis van haar strakke
jeans schuurt tegen z'n gulp. Ze is onwaarschijnlijk licht. Onhandig zoenend banjert hij
de kamer rond terwijl ze als een aapje om z'n nek hangt. Zijn handen omvatten haar kleine,
stevige billen. Hij zoekt een plek om neer te ploffen, maar haar kastanjerode haren vallen
over z'n gezicht. Ze zijn allebei aangeschoten en moe. Wat zouden ze nu praten? Ze kleden
zich half struikelend uit. Inmiddels zijn ze in de slaapkamer beland. Ze steekt een paar
gele, rode en blauwe waxinelichtjes in haar slaapkamer. Haar slordig opgemaakte bed wacht
in de hoek. 'Ze heeft anorexia,' schiet het door z'n hoofd als haar al te slanke lijf zich
met het zijne verstrengelt. Terwijl zijn handen steeds wilder over haar oorschelpen, hals,
borsten, heupen, billen gaan, schuurt haar mond als de ruwe tong van een kat langs zijn
lippen. Even later stuwt z'n bloed door alle ledematen. Zijn lid blijft echter onder de
maat. De verticale glimlach in haar schoot blijft droog. Een condoom is trouwens niet
voorhanden en hij is beducht voor Het Virus. (Veel later stelde Frank zich voor waarom Don
Quichot maar rusteloos bleef rondtrekken. In de lente, als de winterkou net is geweken,
zijn de vrouwen van La Mancha hongerig en vurig. In de herfst, als de dieprode
druiventrossen als overvolle uiers aan de ranken hangen en de in de zon geblakerde akkers
wat zijn afgekoeld, zijn ze dorstig en rijp.)
Ondanks z'n uitputting na de lange dag kan hij de slaap niet vatten, ontroerd door de
slapende vrouw naast hem. Opgewonden luistert hij naar haar rustige ademhaling. Tegen de
ochtend vrijen ze weer, waarna hij op zoek gaat naar een toilet in het nu vreemde huis.
Daar neemt hij een moeilijk besluit. Hij loopt terug naar haar slaapkamer, zoekt z'n
rondslingerende kleren bij elkaar, kleedt zich aan en neemt van haar afscheid. Ze zeggen
niet veel, kijken elkaar kort en vertrouwelijk aan. Ze loopt met hem mee naar de voordeur
en hij stapt de straat op, het verbijsterend felle zonlicht in.
Argamasilla is net als Don Quichot prettig gestoord. Cervantes was een wijs man, maar kon
niet weten dat de gekte van zijn voornaamste creatie tot op de dag van vandaag blijft
overslaan op iedere sterveling die zich serieus in de avonturen van Don Quichot verdiept.
Als Frank 's middags uit z'n siësta ontwaakt, loopt hij nog wat slaapdronken over het
zonnige dorpsplein. Een schittering verderop trekt de aandacht en haalt hem uit zijn
overpeinzingen. Over de arm van de man die nu recht op hem afloopt, hangt een enorm gouden
horloge. Het ding is zeker een meter lang, het armatuur twintig centimeter breed. Om de
beide mouwen van zijn donkere colbert zit een tiental horloges van normale afmetingen,
alsof hij een goochelaar is die z'n jasje binnenstebuiten heeft gekeerd. Zijn zwarte ogen
vangen Franks verbaasde blik en hij begint op nonchalante wijze de functie van een
wekkerradio te demonstreren. Het ding stoot een chipgestuurd muziekriedeltje uit en Frank
schiet in de lach als hij het droefgeestige zigeunergezicht met hangsnor ziet. De man
merkt zijn aarzeling en prijst vreemd genoeg het reusachtige horloge aan. Frank houdt het
op een etalagemodel. Hij weet niets anders te zeggen dan dat zijn bagage er moeilijk een
soortement hangklok bij kan hebben. Maar de straatventer loopt al door. Vanwaar die
gedreven haast? Frank kan zich niet voorstellen dat de man veel van zijn klokjes zal
slijten op zijn ronde door Argamasilla.
Aan de overkant van het plein ziet hij de nog gesloten elektrawinkel van meneer Pepe
liggen, de feitelijke concurrent, de reus van verankerde technologie die de kleine
straatventer moet trachten te verslaan. Misschien verklaart dat zijn haast, de man maakt
slechts handig gebruik van de siësta, die dode uren waarop heel Spanje z'n winkel sluit,
de warme maaltijd nuttigt, vergenoegd onderuitzakt, aan de huwelijkse plicht voldoet en
zich slapend of dagdromend verliest in visioenen en herinneringen. De uren waarop Spanje
alle tijd van de wereld heeft.
De man loopt door en verdwijnt om een bocht. Elders zal hij de strijd met een volgende
windmolen aangaan. Dit moet hem zijn, denkt Frank, dit moet hem zijn. |