We rijden de bergen op,
we gaan naar de hoogste top
Mexico, Ja zuster, nee zuster
Ballonkuiten? Nee, polderpoten! Toch kregen twee niet
al te jonge heren het in hun hoofd enkele zware Alpencols met de racefiets te gaan
beklimmen. Alex (op dat
moment 50 jaar) had al
eens de Mont Ventoux bedwongen en wilde meer
Mijn klimervaring was beperkt tot
Limburg, de Ardennen en een paar ritjes op het Griekse eiland Andros. Een echte col had ik
gedurende mijn (op dat moment) 39 levensjaren nooit per fiets beklommen. De voorbereiding was niet
erg degelijk: Alex had dit jaar zo'n 1200 kilometers gefietst, ik 2400, maar voornamelijk
op het vlakke. Ja, de Amerongse Berg had ik misschien wel een keer of 20 genomen, maar
door de matige zomer was het daarbij gebleven.
In de week voor we vertrokken, reed ik als training de Amerongse Berg nog eens extra hard
op, met een voor mijn doen zwaar verzet. Vlak voor de top hoorde ik onder mij een flinke
knal. Het bleek dat een spaak een scheurtje in de velg had getrokken. De spaak was zelf
bij het nippeltje gebroken. Mijn achterwiel was door een flinke slag totaal vastgelopen.
Ik zette het wiel wat scheef, waardoor ik in ieder geval weer langzaam kon fietsen.
Vervolgens daalde ik de Amerongse Berg af. Een fietsenmaker in Leersum knapte het wiel
zodanig op dat ik naar Utrecht kon terugrijden. Vlak voor ons vertrek naar Frankrijk lukte
het nog om mijn oude naaf van een nieuwe velg en nieuwe spaken te laten voorzien. Dat
vrijwel nieuwe wiel zou achteraf mijn redding zijn
(zie ook foto's in het fotoboek.)
De autorit op zondag 23 augustus vanaf onze woonplaatsen De Meern en
Utrecht verliep buitengewoon voorspoedig. Na bijna 1100 km kwamen we aan in le Bourg
d'Oisans. Het gastvrije plaatsje ligt aan de voet van de l'Alpe d'Huez en is een goed
uitgangspunt is voor een aantal pittige dagtochten.
We streken neer op een drie-sterren-camping, Le Colporteur en dat bleek achteraf een goede keuze. Hij ligt even
buiten het dorp (langs de hoofdweg in de richting van de l'Alpe D'Huez staat de camping al
aangegeven). Het is geen camping om de gehele dag door te brengen, maar voor fietsers
voldoet hij uitstekend. Het sanitair is goed, de mensen zijn aardig en je kunt er een
eenvoudige maaltijd krijgen.
Twee heren die dalen en klimmen
Alpejagerlied, Paul van Ostaijen
Omdat we allebei dit jaar nog weinig hadden geklommen, kozen we voor een
rustig ritje om wat te wennen aan de bergen. Daartoe leek ons het doodlopende dal naar la
Bérarde geschikt, een bergdorpje dat een geliefd uitgangspunt is voor wandelaars en
bergbeklimmers. Zodra je de drukke N91 na 5 kilometer verlaat en de D530 naar la Bérarde
neemt, is de rust weldadig. Het begin is zeer bosrijk. Vlak voor Venosc, bij les Ougiers,
passeer je een speciaal fietshotel, herkenbaar aan twee rood geschilderde fietsen bij de
inrit. We hoorden later dat dit hotel helemaal op fietsers is ingesteld. Zo kun je er
zelfs een bord pasta bij het ontbijt krijgen. Bij de kabelbaan van Venosc zagen we
geregeld parasailers naar beneden komen. Het stuk vanaf Bourg d'Arud tot
St.-Christophe-en-Oisans bevat twee knap gemene stukken met percentages tot 12%. Met het
eerste stuk hadden we al direct moeite. Door de onervarenheid lukte het niet om meteen het
juiste ritme te vinden en het lastige was dat we hier totaal niet wisten wanneer de steile
stukken ophielden. Het was hier eigenlijk de enige keer van onze Alpentochten dat ik
totaal buiten adem raakte. Het is hier zaak de afstand tot Le Plan du Lac op de kaart te
schatten en goed op de kilometerteller te letten om de krachten goed te verdelen.
![]() |
De haarspeldbochten tussen Le Plan du Lac en St.-Christophe-en-Oisans |
Bij Le Plan du Lac is de weg eindelijk weer vlak, een
goede plaats voor een rust. Dan volgen de steile, maar overzichtelijke haarspeldbochten
naar St.-Christophe-en-Oisans. Vanaf dat dorp is het verder niet steil meer, maar het is
ook geen gemakkelijke route: het wegdek is slecht en smal, er zijn nauwelijks vangrails en
het is oppassen geblazen met tegenliggende auto's. Tijdens onze rit sloeg het weer om: een
ijzige wind en een flinke bui gaf ons het gevoel dat de winter plotseling was begonnen,
ook al omdat je hier al overal sneeuw op de omringende bergen van meer dan 3000 meter hoog
ziet liggen. Die avond hoorden we dat er bergbeklimmers op de Mont Blanc waren omgekomen
door de weersomslag. Ook als fietser moet je op je hoede zijn voor de extreme
temperatuursverschillen in de bergen.
In la Bérarde kwamen we in een crêperie wat op verhaal, hoewel het daarbinnen ook weinig
behaaglijk was. Echte fietsverslaafden zouden hun tocht vanuit dit dorp per ATB kunnen
voortzetten in de bergen.
De terugweg was heel gemakkelijk: we daalden bijna voortdurend en de zomer kwam ons weer
tegemoet.
In het gezellige le Bourg d'Oisans zijn er voldoende restaurants. We troffen er een goede pizzeria aan. Iets minder was een menu in Hotel des Alpes, waar we verschrikkelijk lang moesten wachten op de verschillende gangen. Verschil tussen voor- en hoofdgerecht was er nauwelijks: ze moesten blijkbaar van een enorme partij haricots-verts af. De frietjes waren zo bleek en slap dat het leek alsof ze vergeten waren de frituur aan te zetten en het onbestemde lapje vlees viel op door de voortreffelijke elastische eigenschappen. De toetjes werden onbeschoft lang na elkaar geserveerd. Ik had mijn kaasplankje met brood al vrijwel weggewerkt, toen Alex zijn crème de caramel kreeg: een puddinkje ter grootte van een flinke damschijf. Daar wist hij wel raad mee: in enkele bewegingen was het gevalletje naar binnen geschoven, zodat hij uiteindelijk toch nog eerder dan ik aan de meet arriveerde.
| Een berg die zo heet moet wel machtig zijn, zal reusachtig zijn! Ai ai ai! |
Mexico, Ja zuster, nee zuster |
Vandaag stond een van onze belangrijkste doelstellingen op het programma: de beklimming van de Galibier. Le Bourg d'Oisans ligt op 719 meter en de hoogste doorgang op de Galibier op 2645. Een flink hoogteverschil te overbruggen dus, hoewel de stijging vanaf deze kant van de Galibier tot en met de Lautaret heel geleidelijk gaat. Alleen de laatste 8 kilometer naar de Galibier zijn lastiger, vooral de beruchte allerlaatste kilometer (aan het eind 12%). Nadeel van deze route is de 32 km langs de drukke N91. Een fietspad is er niet en het verkeer dendert soms rakelings langs je met 90 km per uur of meer. De tunnels zijn verlicht, maar voor de veiligheid is eigen verlichting zeer aan te raden. Wij hadden maar één setje: ik ging voorop met de koplamp en Alex reed achter met het achterlicht. Teamwerk dus, maar het is nog beter als iedereen zijn eigen verlichting heeft om goed zichtbaar te zijn.
![]() |
Alex poseert op de Col du Lautaret |
Na La Grave werd de N91 gelukkig wat rustiger. Het weer kon niet beter: zonnig, helder en een fris windje dat enige verkoeling tijdens het klimmen bracht. Op de Lautaret was de temperatuur al flink gedaald en deden we de jacks aan. De 8 km naar de top van de Galibier zijn prachtig. Om de kilometer staat een duidelijk paaltje met hoogte en afstand naar de top, zodat je je krachten goed kunt verdelen. Aan deze kant van de Galibier staan geen namen van wielrenners op het wegdek geschreven, want tijdens de Tour de France neemt men deze berg vanaf de noordkant. In de loodzware laatste kilometer (zie ook fotoboek) moest ik wel af en toe op de pedalen staan om mijn kleinste verzet 39x28 rond te krijgen, maar achteraf viel me deze beklimming redelijk mee. Boven was ik al na enkele minuten weer hersteld, zozeer zelfs dat een Fransman aan me vroeg of ik wel met de fiets was bovengekomen. Kennelijk zag ik er nogal fris uit, misschien ook omdat ik zeer tevreden was omdat ik zojuist mijn eerste grote Alpencol had bedwongen.
Een mooi gevoel om je te bevinden op de berg waar Marco
Pantani dit jaar een splijtende en beslissende demarrage plaatste, tijdens de
legendarische 15e etappe op 27 juli 1998 van Albertville naar Les Deux Alpes,
toen hij onder barre omstandigheden de gele trui pakte. Regen, mist, kou, gladheid,
het loodzware parcours, alle ingrediënten voor een bloedstollende rit waren voorhanden.
De ijzingwekkende afdaling van de spekgladde Télégraph waarbij menigeen onderuit ging,
de beklimming van de Galibier waarbij de renners als spookverschijningen uit de mist
opdoemden, het zijn beelden die grote indruk op mij maakten. Die maandag had ik vele uren
naar de tv gekeken om geen moment te missen van de integraal uitgezonden etappe.
Alex telefoneerde op de top met zijn GSM naar een collega, die nog nooit van de Galibier
had gehoord... Fraai is dat, ben je in de roes van de overwinning en aan de andere kant
van de lijn zit een nuchtere Hollander achter zijn bureau, die er geen flauw idee heeft
van wat voor heldendaad we zojuist hadden verricht.
Bertus Legebeke vermeldt in zijn uitstekende boekje (zie onder) bij deze en andere
beklimmingen dat je merkt dat de lucht ijler wordt op deze hoogten. Wij hebben daar
evenwel niets van gemerkt, maar misschien hebben we niet hard genoeg gefietst... Op de top
was het gezellig druk (zie ook fotoboek).
Iedere keer dat een fietser arriveerde, was een belevenis op zich. Vooral de mensen die de
Galibier vanaf de moeilijkste (noord)kant van de Télégraphe hadden genomen, waren
bezienswaardigheden. Eén Nederlander kwam misselijk boven, een van zijn vrienden die
later kwam, bleef een kwartier op de grond liggen om bij te komen. Toen ze weer konden
praten, vertelden ze dat ze in het fietsershotel in Venosc verbleven. Het wachten was nu
op een andere vriend van 110 kg, die er wat langer over deed om boven te komen...
![]() |
De afdaling van de Galibier naar de Lautaret |
We kleedden ons goed aan en begon aan de gevaarlijke afdaling. Ik
deed het rustig aan: het wegdek aan deze kant van de Galibier is helemaal niet zo goed en
alles begon te trillen. Het is hobbelig en er zijn glimmende asfaltplekken. Pantani en
concurrenten deden diezelfde bloedstollende afdaling. Ik heb de video van die
legendarische etappe nog eens nagekeken, maar op tv zie je helemaal niet goed hoe steil en
gevaarlijk het daar is. En toen was het wegdek ook nog nat. Wel was te zien dat ze de
scherpe bochten stapvoets namen. Na een goed verlopen afdaling is mijn bewondering voor
goede dalers als Pantani alleen maar groter geworden.
Net onder de top, voor het monument van Desgranges is een winkel met een bar (rechts op de
foto) waar je ansichtkaarten kunt kopen en kunt laten stempelen (de sympathieke baas is
een man die zelfs Vlaams spreekt!). De bezorging duurt helaas wel een week of twee.
'k heb de banden vol met wind, nee ik heb
ja niks te klagen
Op fietse - Skik
Met de zware tocht van de volgende dag in het verschiet, hadden we deze dag behoefte aan een rustig tochtje (ons ritme was: 1 dag zwaar, 1 dag licht, 1 dag licht, 1 dag zwaar, niet verkeerd als je geen prof bent). Bovendien hadden we veel moois over de nabij gelegen Vercors gehoord. Hemelsbreed niet ver van le Bourg d'Oisans, je moet evenwel een flink eind omrijden over Grenoble om in de Vercors te komen, want je moet om een bergrug heen die Grenoble als een geweldige muur afsluit van het achtergelegen gebied. Na een kilometer of 90 met de auto bereikten we de enigszins mondaine doch zeker niet ongezellige wintersportplaats Villard-de-Lans.
![]() |
Les Grands Goulets |
Vandaar volgden we de D531 via de spectaculaire Gorges de la Bourne tot net voorbij de afslag met de D103, waarop we de auto parkeerden en gingen fietsen. Wij kozen voor een gemakkelijke route, die echter ook goed valt uit te breiden met de D215C vanaf Villard-de-Lans en de D221, waarna men weer op de D103 komt. De D103 is een fraaie, in deze tijd van het jaar rustige weg, met in zuidelijke richting prachtige afdalingen waarbij je nauwelijks hoeft te remmen. Onderweg zagen we enige hoogst uitnodigende terrasjes, maar we hadden het nog niet verdiend...
Bij les Barraques-en-Vercors ga je de duisternis in: les Grandes Goulets zijn werkelijk
bijzonder. De D518 voert door een zeer waterrijke kloof ('goulet' = bergengte) die aan
alle kanten zwaar begroeid is, alsof je door een tropische broeikas rijdt. Na een
prachtige afzink bieden les Petits Goulets eveneens een adembenemend uitzicht in de
diepte. Het stadje Pont-en-Royans is een tussenstop waard. De terugweg leidde langs de
grot van Chorance (steil omhoog voor wie nog puf heeft) en wederom naar de Gorges de la
Bourne. Onze conclusie: de Vercors is een prachtig en rustig gebied, makkelijk te
befietsen.
Op onze camping Le Colporteur was
redelijk te eten: een flink bord spaghetti kost er niet veel en dagelijks staan er nog
twee andere eenvoudige gerechten op het menu. De vissoep was heel smakelijk. Alleen voor
de entrecote die ze er serveerden, hadden ze vermoedelijk een oude koe uit de sloot
gehaald. Het stikte van de Nederlanders op die camping, vooral fietsfanaten, zoals er in
die hele streek een prettige wielersfeer heerst. Er waren natuurlijk ook van die typische
campingmensen die de hele dag in de weer zijn met emmertjes, wasjes doen, praatjes maken,
nieuwsgierig informeren waar je vandaan komt en waar je naartoe gaat, etc. Gelukkig waren
wij overdag weg.
Toch, is het niet de verhevenste
ernst Fin de siècle, J. Slauerhoff |
Wie in le Bourg d'Oisans verblijft en ook nog
Nederlandse wielerfan is, kan niet om de l'Alpe d'Huez heen. De successen van Zoetemelk, Kuiper, Winnen en Rooks maken deze wat saaie
en drukke weg tot een verplichte krachtmeting met jezelf. De niet geringe inspanningen
worden vooral beloond voor wie doorrijdt naar de landschappelijk veel mooiere Col de
Sarennes.
![]() |
Uitzicht van de
Jardin Alpin op le Bourg d'Oisans (halverwege de beklimming |
Maar goed, eerst ligt die l'Alpe d'Huez als een lastige
drempel in de weg. Een warming-up is zonder meer noodzakelijk. Daarom verlieten we le
Bourg d'Oisans in noordwestelijke riching. Na twee kilometer ligt aan de linkerkant de
aardige weg naar de Col d'Ornon. We deden het eerste deel van deze berg om warm te worden.
Na deze warming-up reden we terug en begonnen aan de weg naar l'Alpe d'Huez (zie ook
fotoboek). De eerste 3 loodzware kilometers
naar la Garde doorstonden we redelijk goed en als je eenmaal in la Garde bent, haal je het
over het algemeen wel tot de top. Onderweg staan geregeld huisjes met daarin een toilet,
drinkwater en een telefoon. Ook kom je aan de rechterkant van de weg een parkje tegen
waarvandaan je een schitterend uitzicht hebt over le Bourg d'Oisans. Het valt ook
eigenlijk wel mee: wij vonden de beklimming van de l'Alpe d'Huez uiteindelijk zeer de
moeite waard, hoeveel negatiefs er ook over wordt gezegd. We hielden alles bij elkaar
tweemaal een korte pauze. Mijn tijd is dan ook niet erg betrouwbaar: 1 uur 25 minuten, ook
al omdat je verschillende eindpunten kunt kiezen. Boven haalden we bij het VVV een gratis diplôme
cycliste, het bewijs dat we deze vreselijke berg met goed gevolg hebben beklommen...
Leuk voor aan de muur, maar ik had er liever een van de Galibier gehad. In het betondorpje
l'Alpe d'Huez struikel je over voornamelijk Nederlandse wielertoeristen (zie ook
fotoboek).
Via de oostkant van het dorp reden we langs het vliegveld rijden om naar de Col de
Sarennes te komen. De rust is al meteen zeer opvallend en het landschap wordt steeds
mooier. Je daalt eerst voor je aan de beklimming van eigenlijke Col de Sarennes begint.
Diverse fietsvrienden hadden ons al gewaarschuwd voor deze afdaling in verband met grint
en basalten afwateringsgoten over de weg. Luddo zag zelfs een lijk liggen
op dit traject. Door het heldere weer konden we echter
goed zien waar steentjes en goten lagen en het is hier zo mooi dat het sowieso zonde is om
snel te dalen. De eigenlijke beklimming van de Col de Sarennes bestaat uit een drietal
pittige kilometers. Halverwege deze beklimming pauzeerden we even. Aan de linkerkant van
de weg is een soort alpenweitje, waar we een marmot zagen lopen. Het dier had het formaat
van een flinke bever, met een soort eekhoornstaart, die achter hem aan wapperde toen hij
er vandoor ging. Even later bereikten we hoogste doorgang van de Col de Sarennes op 1999
m. Daar is niet veel te zien: het is niet meer dan een grote parkeerplaats. Het bordje
"Col de Sarennes" was weggehaald, wellicht door een gretige souvenirjager. Het
kale paaltje stond er nog. Het enige dat je er kunt doen is aan de rechterkant te voet een
heuveltje beklimmen waarop je een prachtig panorama wacht.
Op fietsschoenen is het daar echter lastig lopen, maar
je kunt ook even doorfietsen, want om de hoek verschijnt vrijwel het zelfde weidse
uitzicht op de gletsjers van La Meije, de plooiingen in de lager gelegen bergen met het
dorpje Besse en de vele angstaanjagende haarspeldbochten die je nog wachten. Dan volgt het
gevaarlijkste deel van de afdaling. Het is er zeer steil en er zijn geen vangrails maar
des te meer losse steentjes. Een afdaling die geen loszinnigheid verdraagt... Het is ook
waar Rens door het vele remmen een klapband
kreeg. De oververhitte voorvelg had binnen- en buitenband laten smelten. Een wonder dat
hij het heeft kunnen navertellen. Ik was op de hoogte van dit verhaal en stopte geregeld
om de inderdaad loeiheet geworden velgen te blussen met wat water uit bidon of beekje. Of
het hielp weet ik niet, maar het zag er in ieder geval professioneel uit... Rens rijdt op
een ligfiets en de velgen van de kleine wielen raken nog sneller verhit dan die van gewone
wielen. Ik kon mijn velgen niet vasthouden, zo heet waren ze. Het lastige deel van de
afdaling, zo tot en met de gehuchten van Clavans, verliep zonder incidenten. Je komt door
het prachtige dal van de Ferrand, een geliefd gebied bij wandelaars, waar je de
watervallen in de verte hoort ruisen. Je komt langs een opvallend huis dat tegen enorm
rotsblok is gebouwd. Achter dat huis liggen een aantal merkwaardige grotwoningen, die het
waard zijn om even af te stappen. Na Clavans wordt het wegdek beter, breder en schoner.
Hier lijkt het erop dat je de remmen kunt loslaten en voluit kunt dalen, met uitzondering
van het stukje dat met 15% daalt. Opgelucht omdat we het gevaarlijkste deel achter de rug
hadden, lieten we de wielen vrolijk ronddraaien met snelheden die schommelden rond de 60
km per uur. De zon scheen fel. Normaal gesproken kun je bij dergelijke afdalingen
vertrouwen op de verkeersborden: haarspeldbochten staan altijd aangegeven. Misschien was
het dezelfde onverlaat die het bordje van de Col de Sarennes had gestolen, hoe dan ook, er
ontbrak opeens een aanduiding van een scherpe bocht. En het toeval wilde dat hij geheel in
de schaduw lag. Komend vanuit het felle zonlicht konden we de bocht volstrekt niet zien
aankomen. Een soort tunneleffect zonder tunnel. Alex reed een tiental meters voor me. We
gingen allebei volop in de beugels. Ik zag hoe hij met beide banden in een onheilspellende
slip raakte en ik voelde ook mijn achterband rap wegglijden. De meedogenloze rotswand in
de bocht kwam in hoge snelheid naderbij... Al skiënd en surfend, glijdend en schuivend
trokken we de fietsen uit alle kracht door de bocht en bleven op wonderbaarlijke wijze
overeind. Op enkele centimeters afstand van het ruwe gesteente kwamen we tot stilstand. We
reden vervolgens meteen door, en dat is maar het beste om de schrik gelijk kwijt te raken.
Achteraf was de goede afloop van dit avontuurtje waarschijnlijk aan mijn nieuwe remblokjes
en nieuwe achtervelg te danken. Zo'n nieuwe velg remt aanmerkelijk beter dan een oude,
helemaal glad geworden velg, ongeveer hetzelfde probleem als men bij de spoorwegen bij de
wielen van locomotieven kent, zoals werktuigbouwkundige Marten
haarfijn weet uit te leggen. De fiets van Alex was zo goed als nieuw, dus zijn remmen
waren ook in orde. Voor afdalingen in de Alpen geldt beslist niet dat je het op een oude
fiets moet leren.
Niet veel later bereikten we de Barrage du Chambon. De afslag naar Les Deux Alpes (waar
Marco Pantani dit jaar bij de Tour het alles beslissende verschil met zijn concurrenten
wist te maken) lieten we voor wat hij was.
![]() |
De D 211A richting la Garde. Links in het dal le Bourg d'Oisans |
We reden een paar kilometer langs de N91 en namen de afslag naar le Freney-d'Oisans, met de bedoeling de D 211A via Auris naar la Garde te volgen. Volgens de OCD is dit een superb cliff road. En inderdaad, het weggetje is werkelijk spectaculair, zoals op de foto enigszins te zien is. Op sommige plaatsen is het in de vrijwel verticale rotswand uitgehouwen. Het biedt duizelingwekkende uitzichten, nee, niets voor mensen met hoogtevrees. Je moet over krankzinnige bruggetjes en door een aardedonkere, maar gelukkig korte tunnel. Het weggetje is zeer rustig, dus een heel goed alternatief voor de drukke N91. Recentelijk zijn grote stukken opnieuw geasfalteerd. Alleen moet je van tevoren weten waar je aan begint: de Michelinkaart nr. 77 is te gesimplificeerd: vanaf le Freney geeft hij 1 dubbele pijl en 1 enkele pijl aan. Dat is dus wel te doen, denk je dan: een lastige helling en een wat makkelijkere. Maar als je in le Freney begint, gaat het direct met een procent of 10 omhoog en dat blijft zo tot ver voorbij de kerk die op de kaart is aangegeven. Ik schat dat je zo'n kilometer of zeven met een percentage van rond de 10 stijgt. Na elke haarspeldbocht komt er weer een in zicht en je weet absoluut niet hoeveel er nog komen. Je stijgt tot je gewoon niet hoger kunt. Daarna daalt het flink en begint het stijgen weer, ditmaal een procent of 6. Tot aan Auris, ongeveer halverwege, is het zonder meer een zware weg, zeker als je de l'Alpe d'Huez en de Col de Sarennes al in de benen hebt. Maar ik vond dat weggetje zo intrigerend (vanaf le Bourg d'Oisans zie je het prachtig liggen, zeer uitnodigend...) dat ik per se verder wilde. En achteraf waren we zeer tevreden dat we hadden doorgezet, want je wordt hogelijk beloond voor je inspanningen. De D 211A is op zich al een hele belevenis.
Na een voorspoedige terugreis op vrijdag 28 augustus
konden we concluderen dat le Bourg d'Oisans een goede uitvalsbasis is voor een aantal
stevige ritten. Voor wie meer tijd heeft, is er nog voldoende te klimmen. De al eerder
genoemde Col d'Ornon is een mooi uitstapje vanuit le Bourg d'Oisans. Mogelijk is ook een
rondtocht via de N91 naar Séchilienne, daar linksaf naar St.-Barthélémy, via de D114
over Col de la Morte, een zeer gemene kuitenbijter vanaf deze kant, die men alleen al om
de naam zou moeten beklimmen. Vervolgens via de D114A, D26 en D526 naar Valbonnais. Via de
Col d'Ornon en de N91 terug naar le Bourg d'Oisans. Totaal ongeveer 100 km.
Vanuit Séchilienne is het eveneens mogelijk de andere kant uit te gaan, naar de Col
Luitel en Chamrousse (D111). Nadeel is ook hier weer de lange aanloop over de drukke en
voor fietsers gevaarlijke N91, die zoveel mogelijk vermeden dient te worden (gelukkig daal
je voortdurend vanaf je vanaf Bourg naar Séchilienne, hetgeen het leed aanzienlijk
verlicht).
Ook de Col du Glandon en Col de la Croix de Fer zijn op één dag vanuit Bourg te doen
(heen en terug 84 km). Verder komt les Deux-Alpes in aanmerking, ook te benaderen via het
rustige bosweggetje D220, zodat er nog een rondje van te maken is, evt. in combinatie met
de D211A (le Freney - Auris - La Garde).
Meer foto's in het fotoboek.
Gebruikte kaart: Michelin nr. 77
De meest relevante snelkoppelingen naar meer informatie over
dit gebied:
Luddo met zijn verhaal over
het lijk op de Col de Sarennes
Frank & Sheila's Virtual Alps
met fraaie foto's.
Literatuur:
Bertus
Legebeke - Tussen Ardèche en Alpe d'Huez: Rhône-Alpen-Vercors-Provence.
Nijmegen, Legebeke 1992 In eigen beheer uitgegeven, verreweg het beste en meest
gedetailleerde boekje over dit gebied; meer info op tel. (0243)234019 (ook fax) of
(0243)566536.
Cyclo-guide
de montagne deel 14 Grenoble-Gap-Galibier. Altigraph Edition (met geweldige
hoogteprofielen, ook van la Bérarde, Col de la Morte en Col d'Ornon, verkrijgbaar bij de
Fietsvakantiewinkel in Woerden).
Bart
Aardema - Berggids voor fietsers. Cols en hoogten in Frankrijk, Zwitserland, Italië,
Oostenrijk, Spanje, België en Nederland. Kosmos 1987 (algemener, met ook wat
historische achtergronden over legendarische cols).
Hanspeter
Lanig - Fietsen in de Alpen. De mooiste cols in Oostenrijk, Zwitserland, Italië,
Frankrijk. Kosmos 1990 (niet altijd betrouwbaar, maar soms toch nuttig).
© 1998 Alwin van Ee | Meer foto's Alpen en Vercors